Bible Study: FrontPage




 

1 Kronieken, Chapter 27

Bible Study - 1 Kronieken 27 - Dutch - Willibrord Vertaling 1995 - Web
 
 
 
Comment!       Comment Disqus!
  
1. Hier volgt een opsomming van de familiehoofden van Israël, aanvoerders van duizend en van honderd, die met hun beambten de koning dienden door het leiden van de legerafdelingen, waarvan er maandelijks een opkwam en een met verlof ging. Elke legerafdeling telde 24.000 man.
  
2. Aan het hoofd van de eerste afdeling, die in de eerste maand opkwam, stond Jasobam, de zoon van Zabdiël; zijn afdeling telde 24.000 man.
  
3. Hij was een van de zonen van Peres en stond aan het hoofd van alle legeroversten van de eerste maand.
  
4. Aan het hoofd van de afdeling van de tweede maand stond Dodai, de Achochiet; tot zijn afdeling, die 24.000 personen telde, behoorde de vorst Miklot.
  
5. De derde legeroverste, voor de derde maand, was Benaja, de zoon van de hogepriester Jojada; zijn afdeling telde 24.000 man.
  
6. Deze Benaja was een van de dertig helden en stond aan het hoofd van de dertig; tot zijn afdeling behoorde zijn zoon Ammizabad.
  
7. De vierde aanvoerder, voor de vierde maand, was Asaël, de broer van Joab, en na hem zijn zoon Zebadja; zijn afdeling telde 24.000 man.
  
8. De vijfde aanvoerder, voor de vijfde maand, was de overste Samhut, de Jizrachiet; zijn afdeling telde 24.000 man.
  
9. De zesde aanvoerder, voor de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; zijn afdeling telde 24.000 man.
  
10. De zevende aanvoerder, voor de zevende maand, was Cheles, de Peloniet, uit Efraïm; zijn afdeling telde 24.000 man.
  
11. De achtste aanvoerder, voor de achtste maand, was Sibbekai uit Chusa, uit de familie van Zerach; zijn afdeling telde 24.000 man.
  
12. De negende aanvoerder, voor de negende maand, was Abiëzer uit Anatot in Benjamin; zijn afdeling telde 24.000 man.
  
13. De tiende aanvoerder, voor de tiende maand, was Maharai uit Netofa, uit de familie van Zerach; zijn afdeling telde 24.000 man.
  
14. De elfde aanvoerder, voor de elfde maand, was Benaja uit Piraton in Efraïm; zijn afdeling telde 24.000 man.
  
15. De twaalfde aanvoerder, voor de twaalfde maand, was Cheldai uit Netofa, een afstammeling van Otniël; zijn afdeling telde 24.000 man.
  
16. Aan het hoofd van de stammen van Israël stonden de volgende personen: vorst van Ruben was Eliëzer, de zoon van Zikri; van Simeon: Sefatja, de zoon van Maäka;
  
17. van Levi: Chasabja, de zoon van Kemuël; van Aäron: Sadok;
  
18. van Juda: Elihu, een van Davids broers; van Issakar: Omri, de zoon van Michaël;
  
19. van Zebulon: Jismaja, de zoon van Obadja; van Naftali: Jerimot, de zoon van Azriël;
  
20. van Efraïm: Hosea, de zoon van Azazjahu; van de ene helft van de stam Manasse: Joël, de zoon van Pedaja;
  
21. van de andere helft van Manasse, in Gilead: Jiddo, de zoon van Zekarja; van Benjamin: Jaäsiël, de zoon van Abner;
  
22. van Dan: Azarel, de zoon van Jerocham. Dat waren de oversten van de stammen van Israël.
  
23. Degenen die twintig jaar of jonger waren had David niet laten tellen, omdat de HEER hem beloofd had om Israël even talrijk te maken als de sterren aan de hemel.
  
24. Joab, de zoon van Seruja, was wel begonnen met de telling, maar had die niet voltooid, omdat daardoor een hevige toorn over Israël gekomen was. Daarom is dat aantal niet opgenomen in de annalen van koning David.
  
25. Over de schatkist van de koning kreeg Azmawet, de zoon van Adiël, het toezicht; over de bezittingen op het land, in de steden, in de dorpen en vestigingen kreeg Jonatan, de zoon van Uzzia, het toezicht;
  
26. over de landarbeiders die de akkers moesten bewerken kreeg Ezri, de zoon van Kelub, het toezicht.
  
27. Over de wijngaarden kreeg Simi uit Rama, het toezicht; over de opslag van wijn bij de wijngaarden kreeg Zabdi uit Sefam het toezicht.
  
28. Over de olijfbomen en de moerbeibomen in de Sefela kreeg Baäl-Chanan uit Geder het toezicht; over de opslag van olie kreeg Joas het toezicht.
  
29. Over de runderen die in de Saronvlakte weidden kreeg Sitrai, de Saroniet, het toezicht en over de runderen in de dalen Safat, de zoon van Adlai.
  
30. Over de kamelen kreeg Obil, de Ismaëliet, het toezicht, over de ezelinnen kreeg Jechdejahu uit Meronot het toezicht.
  
31. Over de schapen kreeg Jaziz, de Hagriet, het toezicht. Dat waren de beheerders van de bezittingen van koning David.
  
32. Jonatan, een oom van David, een scherpzinnig en geletterd man, was raadsman; Jechiël, de zoon van Chakmoni, was belast met de opvoeding van de prinsen.
  
33. Achitofel was eveneens raadsman van de koning; Chusai, de Arkiet, was vertrouwensman van de koning.
  
34. Na Achitofel waren het Jojada, de zoon van Benaja en Abjatar. De legeroverste van de koning was Joab.


Search in:
Terms:

Vote and Comment on Facebook:Recommend This Page:
Post on Facebook Add to your del.icio.us Digg this story StumbleUpon Twitter Google Plus Post on Tumblr Add to Reddit Pin this story Linkedin Google Bookmark Blogger
Insert Your Personal Insight:

Please do not make mean comments and follow the biblical and spiritual character of this forum. If, however unpleasant situations arise, we request to flag it to us in order to evaluate the situation.

Text source: Willibrordvertaling 1995 Dutch version, public domain.

This project is based on delivering free-of-charge the Word of the Lord in all the world by using electronic means. If you want to contact us, you can do this by writing to the following e-mail: bible-study.xyz@hotmail.com


SELECT VERSION

COMPARE WITH OTHER BIBLES