Bible Study: FrontPage




 

2 Kronieken, Chapter 34

Bible Study - 2 Kronieken 34 - Dutch - Willibrord Vertaling 1995 - Web
 
 
 
Comment!       Comment Disqus!
  
1. Josia was acht jaar toen hij koning werd en hij regeerde eenendertig jaar in Jeruzalem.
  
2. Hij deed wat de HEER behaagde en volgde in alles het voorbeeld van zijn vader David en week daar geen haarbreed van af.
  
3. In het achtste jaar van zijn regering, toen hij dus nog een jongen was, begon hij de God van zijn vader David te vereren, en in zijn twaalfde regeringsjaar begon hij Juda en Jeruzalem te zuiveren van de offerhoogten, de heilige palen, en van de gesneden en gegoten beelden.
  
4. Men sloeg in zijn tegenwoordigheid de altaren stuk van de baäls; de wierookaltaren die erbovenop stonden werden omver gegooid, en de heilige palen, de gegoten en gesneden beelden liet hij verbrijzelen en tot gruis slaan; het stof liet hij op de graven strooien van wie daarvoor geofferd hadden.
  
5. De beenderen van de afgodspriesters liet hij op hun altaren verbranden. Zo zuiverde hij Juda en Jeruzalem,
  
6. evenals de steden van Manasse, Efraïm, Simeon en zelfs Naftali, die helemaal in puin lagen.
  
7. Hij liet in heel het land Israël de altaren en de heilige palen stuk slaan, de gesneden beelden verbrijzelen en de wierookaltaren omverhalen. Daarna keerde hij naar Jeruzalem terug.
  
8. In zijn achttiende regeringsjaar, toen hij bezig was de stad en het huis te zuiveren, gaf hij Safan, de zoon van Asaljahu, en Maäseja, de stadsoverste, en de raadsheer Joach, de zoon van Joachaz, het bevel om het huis van de HEER zijn God te herstellen.
  
9. Zij gingen naar Chilkia, de hogepriester, en droegen het geld af dat de Levieten die de drempel bewaakten in ontvangst genomen hadden van burgers uit Manasse en Efraïm en de rest van Israël, evenals uit Juda en Benjamin, en zij keerden terug naar Jeruzalem.
  
10. Men overhandigde het aan de werklieden die het toezicht hadden over het werk in het huis van de HEER. De werklieden, die werkten aan het huis van de HEER, gaven het uit voor het herstel en de heropbouw van het huis.
  
11. Zij betaalden het uit aan de timmerlieden en bouwlieden, die er ook gehouwen stenen en hout voor moesten kopen voor binten en balken, nodig voor de gebouwen die de koningen van Juda hadden laten vervallen.
  
12. De werklieden voerden hun taak zorgvuldig uit; zij stonden onder toezicht van Jachat en Obadja, Levieten uit het geslacht van Merari; en Zekarja en Mesullam, uit het geslacht van Kehat.
  
13. Alle Levieten die muziekinstrumenten konden bespelen, hadden het toezicht over de lastdragers, en gaven overeenkomstig hun verschillende taken ook aan de andere werklieden leiding. Weer andere Levieten deden dienst als schrijvers, beambten en poortwachters.
  
14. Toen zij eens bezig waren het geld dat in het huis binnengekomen was over te brengen, vond de priester Chilkia het boek van de Wet van de HEER, door Mozes geschreven.
  
15. Chilkia sprak hierover de schrijver Safan aan en zei: `Ik heb het boek van de Wet in het huis gevonden,' en hij overhandigde het boek aan Safan.
  
16. Safan ging met het boek naar de koning en bracht zoals gewoonlijk verslag uit: `Alles wat uw dienaren is opgedragen, wordt uitgevoerd:
  
17. zij hebben het geld dat zich in het huis van de HEER bevond tevoorschijn gehaald, en het ter beschikking gesteld van de opzichters en de arbeiders.'
  
18. Vervolgens zei Safan, de schrijver, tegen de koning: `Chilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven.' En Safan las de koning uit het boek voor.
  
19. Toen de koning de woorden van de leer hoorde, scheurde hij zijn kleren.
  
20. En aan Chilkia, aan Achikam, de zoon van Safan, aan Abdon, de zoon van Micha, aan Safan, de schrijver, en aan Asaja, de dienaar van de koning, beval hij:
  
21. `Ga voor mij, en voor allen die in Israël en Juda nog overgebleven zijn, de HEER raadplegen over de inhoud van het gevonden boek, want de HEER moet wel in hevige toorn ontstoken zijn tegen ons, omdat onze vaderen niet geluisterd hebben naar de woorden van de HEER die in dit boek staan opgetekend.'
  
22. Daarom gingen Chilkia en de anderen die door de koning aangewezen waren naar de profetes Chulda, de vrouw van de beheerder van de priestergewaden Sallum, de zoon van Tokhat, de zoon van Chasra, die in Jeruzalem woonde, in de nieuwe wijk, en zeiden wat hun bevolen was.
  
23. Zij antwoordde hun: `Zo spreekt de HEER, de God van Israël: Zeg dit tegen de man die u naar mij gezonden heeft:
  
24. "Zo spreekt de HEER: Ik ga onheil brengen over deze plaats en haar bewoners; alle vervloekingen die genoemd worden in het boek dat men de koning van Juda voorgelezen heeft.
  
25. Omdat zij Mij verlaten hebben, en geofferd hebben aan vreemde goden, om Mij met al hun eigen maaksels te tergen, daarom is mijn toorn ontbrand tegen deze stad en die zal niet meer gedoofd worden.
  
26. Zeg daarom tegen de koning van Juda, die u gestuurd heeft om de HEER te raadplegen: Zo spreekt de HEER, de God van Israël, met betrekking tot de woorden die u gehoord hebt:
  
27. Omdat uw hart geraakt werd en u zich voor God vernederd hebt bij het aanhoren van zijn woorden over deze stad en haar bewoners, omdat u zich vernederd hebt en uw kleren gescheurd, en geweend hebt voor mijn aanschijn, daarom zal Ik ook naar u luisteren, !!- godsspraak van de HEER.
  
28. Ik zal u bij uw vaderen brengen en u zult in vrede bijgezet worden in uw eigen graf; uw ogen zullen niets zien van het onheil dat Ik over deze stad en over haar inwoners ga brengen."' Zij brachten deze boodschap over aan de koning.
  
29. Daarop ontbood de koning al de oudsten van Juda en Jeruzalem.
  
30. Hij ging naar het huis van de HEER en met hem alle mannen van Juda, alle bewoners van Jeruzalem, de priesters, de Levieten en heel het volk, van groot tot klein. Hij las hun alles voor wat er geschreven stond in het boek van het verbond, dat in het huis van de HEER gevonden was.
  
31. De koning ging op een verhoging staan en hij sloot het verbond voor het aanschijn van de HEER: zij zouden de HEER volgen en met heel hun hart en heel hun ziel zijn geboden, verordeningen en voorschriften onderhouden, en daardoor de bepalingen van het verbond, die in het boek geschreven stonden, naleven.
  
32. Iedereen die zich in Jeruzalem en Benjamin bevond liet hij tot het verbond toetreden, en de inwoners van Jeruzalem handelden overeenkomstig het verbond van God, de God van hun vaderen.
  
33. Josia verwijderde alle gruwelbeelden uit alle landstreken waar de Israëlieten woonden, en zette de burgers van Jeruzalem ertoe aan om de HEER hun God te dienen. Zolang hij leefde verwijderden zij zich niet van de HEER, de God van hun vaderen.


Search in:
Terms:

Vote and Comment on Facebook:Recommend This Page:
Post on Facebook Add to your del.icio.us Digg this story StumbleUpon Twitter Google Plus Post on Tumblr Add to Reddit Pin this story Linkedin Google Bookmark Blogger
Insert Your Personal Insight:

Please do not make mean comments and follow the biblical and spiritual character of this forum. If, however unpleasant situations arise, we request to flag it to us in order to evaluate the situation.

Text source: Willibrordvertaling 1995 Dutch version, public domain.

This project is based on delivering free-of-charge the Word of the Lord in all the world by using electronic means. If you want to contact us, you can do this by writing to the following e-mail: bible-study.xyz@hotmail.com


SELECT VERSION

COMPARE WITH OTHER BIBLES