Bible Study: FrontPage




 

2 Koningen, Chapter 17

Bible Study - 2 Koningen 17 - Dutch - Willibrord Vertaling 1995 - Web
 
 
 
Comment!       Comment Disqus!
  
1. In het twaalfde regeringsjaar van Achaz, koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning van Israël; hij regeerde negen jaar in Samaria.
  
2. Hij deed wat de HEER mishaagt, maar niet zo erg als de koningen van Israël vóór hem.
  
3. Het was tegen hèm dat koning Salmanassar van Assur oprukte: Hosea moest zich aan hem onderwerpen en hem schatting betalen.
  
4. Maar toen de koning van Assur ontdekte dat Hosea een samenzwering tegen hem beraamde !!- hij had gezanten gezonden naar koning So van Egypte en droeg de jaarlijkse schatting niet meer af !!- nam de koning van Assur hem vast en zette hem gevangen.
  
5. De koning van Assur trok heel het land door, rukte op naar Samaria en belegerde de stad, drie jaar lang.
  
6. In het negende regeringsjaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij deporteerde de Israëlieten naar Assur en wees hun een woonplaats aan in Chalach en aan de Chabor, een rivier in Gozan, en in enkele steden van Medië.
  
7. Dit alles is gebeurd omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen de HEER hun God, die hen had weggeleid uit Egypte, uit de macht van de farao, de koning van Egypte: zij hadden andere goden vereerd
  
8. en waren gaan leven naar de zeden van de volken die de HEER voor hen verdreven had. Het waren de koningen van Israël die dit gedaan hadden.
  
9. De Israëlieten hadden zich toegelegd op praktijken die niet passend waren tegenover de HEER hun God. Zij hadden offerhoogten gebouwd, overal waar ze woonden, zowel bij de wachttorens op het land als in de versterkte steden.
  
10. Op elke hoge heuvel en onder elke groene boom hadden zij heilige stenen en heilige palen opgericht.
  
11. Zij hadden op al die hoogten wierook gebrand, zoals de volken die de HEER voor hen verbannen had, en hadden met hun kwade praktijken de HEER getergd.
  
12. Zij hadden de afgodsbeelden vereerd tegen het verbod van de HEER in.
  
13. De HEER had Israël en Juda bij monde van zijn profeten en zieners gewaarschuwd en gezegd: `Keer u af van uw slechte wegen en onderhoud mijn geboden, mijn voorschriften, overeenkomstig de Wet die Ik uw vaderen gegeven heb en waarmee Ik mijn dienaren, de profeten, naar u toe heb gezonden.'
  
14. Maar zij wilden niet luisteren en waren even halsstarrig als hun vaderen, die ook niet op de HEER hun God vertrouwd hadden.
  
15. Zij trokken zich niets aan van zijn voorschriften, van het verbond dat Hij gesloten had met hun vaderen, en van de verordeningen die Hij had uitgevaardigd.
  
16. Nietigheden zijn ze nagelopen en daardoor zijn ze tot niets vervallen; de volken in hun omgeving zijn ze nagelopen terwijl de HEER hun toch geboden had, niet te doen zoals die volken. Al de geboden van de HEER hun God hebben zij veronachtzaamd; zij vervaardigden gegoten beelden, twee stieren; ze stelden een heilige paal op, bogen zich neer voor heel het leger van de hemellichamen en vereerden Baäl.
  
17. Ze lieten hun zonen en dochters door het vuur gaan, lieten zich in met waarzeggerij en wichelarij en gaven zich over aan dingen die de HEER mishagen. Zo griefden zij Hem.
  
18. Daarom was de HEER woedend geworden op Israël; Hij duldde het niet langer onder zijn ogen en vaagde het weg. Alleen de stam Juda bleef over.
  
19. Maar ook Juda hield zich niet aan de geboden van de HEER zijn God, maar leefde naar de zeden die Israël had aangenomen.
  
20. De HEER verwierp heel het nageslacht van Israël; Hij vernederde het en gaf het prijs aan plunderaars tot ze uit zijn ogen verdwenen waren.
  
21. Toen de HEER Israël had losgescheurd van het huis van David werd Jerobeam, de zoon van Nebat, tot koning uitgeroepen; en Jerobeam vervreemdde Israël van de HEER en verleidde het tot zware zonde.
  
22. De Israëlieten bedreven alle zonden die Jerobeam begaan had en zij hielden daar niet mee op,
  
23. totdat de HEER Israël niet langer onder zijn ogen duldde en het wegvaagde, zoals Hij gezegd had door zijn dienaren, de profeten. Zo ging Israël in ballingschap naar Assur, en daar, ver van zijn land, is het tot op de dag van vandaag.
  
24. Uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en Sefarwaïm voerde de koning van Assur toen mensen aan en liet die wonen in de steden van Samaria, in plaats van de Israëlieten. Zij namen bezit van Samaria en vestigden zich in de bijbehorende steden.
  
25. De eerste tijd dat zij daar woonden vereerden zij de HEER niet. Daarom stuurde de HEER leeuwen op hen af die veel slachtoffers onder hen maakten.
  
26. Toen werd tegen de koning van Assur gezegd: `De volken die u gedeporteerd hebt, en hebt ondergebracht in de steden van Samaria weten niet hoe zij de God van dat land moeten vereren; daarom heeft die God leeuwen op hen afgestuurd die hen doden, omdat zij niet weten hoe zij de God van dat land moeten vereren.'
  
27. Toen gaf de koning van Assur de volgende opdracht: `Laat een van de priesters die ik uit Samaria gedeporteerd heb, terugkeren en er zich vestigen; hij moet de bewoners leren hoe zij de God van het land moeten dienen.'
  
28. Zo kwam een van de gedeporteerde priesters in Samaria terug; hij vestigde zich in Betel en leerde hun hoe zij de HEER moesten vereren.
  
29. Maar de verschillende bevolkingsgroepen bleven hun eigen godenbeelden maken en plaatsten ze in de tempels die de bewoners van Samaria op de offerhoogten gebouwd hadden. Zo deden alle groepen in de steden waar ze woonden.
  
30. De Babyloniërs maakten een beeld van Sukkot-Benot, die van Kuta een van Nergal, die van Hamat een van Asima.
  
31. De Awwieten maakten een beeld van Nibchaz en een van Tartak en de Sefarwieten verbrandden hun zonen ter ere van Adrammelek en Anammelek, de goden van Sefarwaïm.
  
32. Tegelijkertijd vereerden zij ook de HEER en stelden zij uit hun midden priesters aan om voor hen dienst te doen in de tempels op de offerhoogten.
  
33. Zij vereerden de HEER wel maar dienden ook hun eigen goden volgens het gebruik van de volken waaruit ze waren weggevoerd.
  
34. Tot op de dag van vandaag zetten zij die oude praktijken voort: ze hebben geen ontzag voor de HEER en handelen niet naar de hun gegeven voorschriften en bepalingen, naar de Wet en de geboden door de HEER gegeven aan de zonen van Jakob, die van de HEER de naam Israël heeft gekregen.
  
35. De HEER had immers een verbond met hen gesloten en Hij had hun geboden: `Vereer geen andere goden; buig u niet voor hen neer; dien hen niet en breng hun geen offers.
  
36. Alleen de HEER, die u met grote kracht en sterke arm uit Egypte heeft gevoerd, moet u vereren, voor Hem moet u neerbuigen en Hem moet u offers brengen.
  
37. De voorschriften en bepalingen, de Wet en de geboden die Hij voor u neergeschreven heeft, moet u altijd blijven onderhouden; vereer geen andere goden.
  
38. Vergeet nooit het verbond dat Ik met u gesloten heb, en vereer geen andere goden.
  
39. Integendeel, vereer de HEER uw God. Hij bevrijdt u uit de macht van al uw vijanden.'
  
40. Maar zij hebben niet willen luisteren en hebben hun oude praktijken voortgezet.
  
41. Zo vereerden deze volken de HEER wel, maar zij dienden ook hun eigen godenbeelden; ook hun zonen en kleinzonen doen wat hun vaders deden, tot op de dag van vandaag.


Search in:
Terms:

Vote and Comment on Facebook:Recommend This Page:
Post on Facebook Add to your del.icio.us Digg this story StumbleUpon Twitter Google Plus Post on Tumblr Add to Reddit Pin this story Linkedin Google Bookmark Blogger
Insert Your Personal Insight:

Please do not make mean comments and follow the biblical and spiritual character of this forum. If, however unpleasant situations arise, we request to flag it to us in order to evaluate the situation.

Text source: Willibrordvertaling 1995 Dutch version, public domain.

This project is based on delivering free-of-charge the Word of the Lord in all the world by using electronic means. If you want to contact us, you can do this by writing to the following e-mail: bible-study.xyz@hotmail.com


SELECT VERSION

COMPARE WITH OTHER BIBLES