1. Mijn kind, heb jij gezondigd? Ga er dan niet mee door en bid ook om vergeving voor je vroegere zonden.
2. Vlucht voor de zonde als voor een slang, want als je in haar nabijheid komt, bijt ze je. Haar tanden zijn leeuwentanden, die mensenlevens vernietigen.
3. Alle onrecht is als een tweesnijdend zwaard: de wond die zij slaat is ongeneeslijk.
4. Bluf en brutaliteit richten de rijkdom te gronde: daardoor wordt het huis van de hoogmoedige verwoest.
5. Het smeekgebed van de arme gaat van zijn mond naar Gods oren en zijn oordeel komt met spoed.
6. Wie afkerig is van een terechtwijzing loopt in het voetspoor van de zondaar, maar wie de Heer vreest bekeert zich in zijn hart.
7. Een opschepper valt al spoedig op: wie verstandig is kent hem aan zijn ontsporingen.
8. Degene die zijn huis bouwt met geleend geld is als iemand die stenen bijeenbrengt voor zijn graf.
9. De buit van de zondaars is als een stapel vlas en hun einde is een vlammend vuur.
10. De weg van de zondaars is effen, vrij van stenen, maar aan zijn einde ligt de kuil van het dodenrijk.
11. Wie de Wet naleeft begrijpt haar betekenis en de volmaakte vrees voor de Heer is wijsheid.
12. Wie niet scherpzinnig is, laat zich niets leren, maar er is een inzicht dat veel bitterheid brengt.
13. De kennis van de wijze is als een overvloed van water en zijn raad is een bron van leven.
14. Het innerlijk van de dwaas is als een gebroken kruik: het kan geen enkele kennis bevatten.
15. Als een verstandig man een wijs woord hoort, prijst hij het en voegt er nog een bij, maar als een losbol het hoort, staat het hem niet aan en werpt hij het achter zijn rug.
16. Het betoog van een dwaas is als een last onderweg, maar op de lippen van een verstandig man ligt bekoorlijkheid.
17. Wat uit de mond van de wijze komt wordt in de vergadering op prijs gestelden zijn woorden worden ter harte genomen.
18. De wijsheid van een dwaas is als een bouwval en de kennis van de onverstandige is wartaal.
19. Voor de dwaas is onderwijs een keten aan zijn voeten en als een handboei aan zijn rechterhand.
20. Een dwaas lacht luidkeels, maar een man met inzicht glimlacht hoogstens.
21. Voor een verstandig man is onderwijs als een gouden sieraad en als een armband aan zijn rechterarm.
22. Een dwaas rent haastig een huis binnen, maar een levenswijs man blijft bescheiden wachten.
23. Een onverstandig man gluurt aan de deur het huis binnen, maar een welopgevoed man blijft buiten staan.
24. Een onbeschaafd mens luistert aan de deuren, maar voor de verstandige is dat een zware schande.
25. De lippen van de praters vertellen maar raak, maar de woorden van verstandige mensen worden gewogen.
26. De dwazen dragen het hart op de tong, maar de wijzen dragen hun tong in hun hart.
27. Als een goddeloze zijn tegenstander vervloekt, dan vervloekt hij zichzelf.
28. De roddelaar maakt alleen zichzelf vuil en hij wordt in zijn omgeving verfoeid.
|