Bible Study: FrontPage




 

Exodus, Chapter 4

Bible Study - Exodus 4 - Dutch - Willibrord Vertaling 1995 - Web
 
 
 
Comment!       Comment Disqus!
  
1. Mozes antwoordde: `Maar ze geloven me niet, ze zullen niet naar mij luisteren; ze zullen zeggen dat de HEER mij niet verschenen is.'
  
2. De HEER vroeg hem toen: `Wat hebt u daar in uw hand?' Hij antwoordde: `Een staf.'
  
3. De HEER beval: `Laat hem op de grond vallen.' Mozes liet hem op de grond vallen en de staf werd een slang. Mozes sprong achteruit.
  
4. Toen sprak de HEER tot Mozes: `Steek uw hand uit en grijp haar bij de staart.' Hij stak zijn hand uit, pakte de slang vast en in zijn greep werd deze weer een staf.
  
5. `Zo zullen ze geloven dat de HEER u inderdaad verschenen is, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.'
  
6. Ook beval de HEER: `Steek uw hand tussen uw kleed.' Hij stak zijn hand tussen zijn kleed. En toen hij haar eruit trok zat ze ineens vol witte uitslag, het leek wel sneeuw.
  
7. De HEER sprak opnieuw: `Steek uw hand tussen uw kleed.' En toen hij haar eruit trok was ze weer als de rest van zijn huid.
  
8. `Als ze u niet vertrouwen en aan het eerste teken geen geloof hechten, dan zal het tweede hen overtuigen.
  
9. Laten zij zich door deze beide tekenen niet overtuigen en luisteren ze nog niet naar u, neem dan water uit de Nijl en giet dat uit op het land. Het water dat u uit de Nijl genomen hebt, zal op het land bloed worden.'
  
10. Maar Mozes sprak tot de HEER: `Neem mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen redenaar. Ik ben dat nooit geweest, en ik ben het nu nog niet, ook al hebt U tot uw dienaar gesproken. Ik spreek moeilijk en traag.'
  
11. De HEER antwoordde hem: `Wie geeft de mens een mond? Wie maakt stom of doof, ziende of blind? Doe Ik, de HEER, dat niet?
  
12. Ga nu maar, Ik zal u bijstaan als u spreekt en u ingeven wat u moet zeggen.'
  
13. Mozes bracht hier tegenin: `Neem mij niet kwalijk, Heer, zend liever iemand anders.'
  
14. Toen ontbrandde de toorn van de HEER tegen Mozes en Hij sprak: `Is Aäron de Leviet niet uw broer? Ik weet dat hij een goed spreker is! Hij is op weg naar u en hij zal blij zijn als hij u ziet.
  
15. Spreek met hem, leg hem uw woorden in de mond. Ik zal u beiden bijstaan als u moet spreken en u ingeven wat u moet doen.
  
16. Laat hem in uw plaats spreken tot het volk; hij zal uw mond zijn, u zijn god.
  
17. Neem deze staf mee, daar moet u de tekenen mee verrichten.'
  
18. Mozes ging terug naar Jeter, zijn schoonvader, en zei tegen hem: `Ik zou terug willen gaan naar mijn broeders in Egypte om te zien hoe zij het maken.' Jetro antwoordde hem: `Ga in vrede.'
  
19. De HEER had in Midjan tegen Mozes gezegd: `Ga terug naar Egypte, want alle mannen die u naar het leven stonden zijn gestorven.'
  
20. Mozes liet zijn vrouw en zijn zonen plaatsnemen op de ezel en ging terug naar Egypte, met de staf van God in zijn hand.
  
21. De HEER sprak tot Mozes: `Nu u teruggaat naar Egypte, moet u zorgen dat u voor de farao al de wonderen verricht waarvoor Ik u de macht gegeven heb. Ik zal hem dan halsstarrig maken, zodat hij het volk niet laat gaan.
  
22. En dan moet u tegen de farao zeggen: Zo spreekt de HEER: Israël is mijn eerstgeboren zoon.
  
23. Ik had u bevolen om mijn zoon vrij te laten vertrekken om Mij te vereren, maar u hebt dat geweigerd. Daarom zal Ik uw eerstgeborene doden.'
  
24. Toen Mozes onderweg ergens de nacht doorbracht kwam de HEER naar hem toe en wilde hem doden.
  
25. Maar Sippora nam een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon af en raakte daarmee zijn benen aan. Zij zei: `Jij bent mijn bloedige bruidegom.'
  
26. Daarop liet de HEER hem met rust. Zij had gezegd: `Mijn bloedige bruidegom', in verband met de besnijdenis.
  
27. En de HEER sprak tot Aäron: `Ga Mozes in de woestijn tegemoet.' Hij ging op weg, trof hem aan bij de berg van God, en hij omhelsde hem.
  
28. Mozes bracht Aäron op de hoogte van de woorden die de HEER tot hem gesproken had en van de tekenen die Hij hem had opgedragen.
  
29. Daarop ging Mozes met Aäron mee en zij riepen de oudsten van Israël bijeen.
  
30. Aäron bracht verslag uit van de woorden die de HEER tot Mozes gesproken had, en voor de ogen van het volk verrichtte hij de tekenen.
  
31. En het volk geloofde. Toen zij vernamen dat de HEER zich het lot van de Israëlieten had aangetrokken en hun ellende gezien had, knielden zij neer en bogen zich eerbiedig.


Search in:
Terms:

Vote and Comment on Facebook:Recommend This Page:
Post on Facebook Add to your del.icio.us Digg this story StumbleUpon Twitter Google Plus Post on Tumblr Add to Reddit Pin this story Linkedin Google Bookmark Blogger
Insert Your Personal Insight:

Please do not make mean comments and follow the biblical and spiritual character of this forum. If, however unpleasant situations arise, we request to flag it to us in order to evaluate the situation.

Text source: Willibrordvertaling 1995 Dutch version, public domain.

This project is based on delivering free-of-charge the Word of the Lord in all the world by using electronic means. If you want to contact us, you can do this by writing to the following e-mail: bible-study.xyz@hotmail.com


SELECT VERSION

COMPARE WITH OTHER BIBLES