Bible Study: FrontPage




 

Jesaja, Chapter 5

Bible Study - Jesaja 5 - Dutch - Willibrord Vertaling 1995 - Web
 
 
 
Comment!       Comment Disqus!
  
1. Ik wil zingen voor mijn dierbare vriend, het lied van mijn dierbare vriend en zijn wijngaard. Mijn vriend had een wijngaard op een vruchtbare helling.
  
2. Hij spitte hem om, verwijderde de stenen en beplantte hem met edelwingerd. Hij bouwde er een wachttoren en kapte ook een wijnpers uit. Nu verwachtte hij dat hij druiven zou dragen, maar hij bracht slechts wilde bessen voort.
  
3. Welnu, bewoners van Jeruzalem, mensen van Juda, doe uitspraak tussen Mij en mijn wijngaard.
  
4. Wat kon Ik nog voor mijn wijngaard doen dat Ik niet heb gedaan? Waarom bracht hij slechts wilde bessen voort, terwijl Ik verwachtte dat hij druiven zou dragen?
  
5. Welnu, Ik zal u vertellen wat Ik met mijn wijngaard ga doen. Zijn omheining haal Ik weg, zodat hij kaal wordt gevreten; zijn muren verniel Ik, zodat hij wordt vertrapt.
  
6. Een wildernis maak Ik ervan, hij wordt niet gesnoeid en niet gewied, distels en doorns groeien er hoog, en de wolken verbied Ik om hem met regen te besproeien.
  
7. De wijngaard van de HEER van de machten is het huis van Israël, zijn bevoorrechte planten zijn de mensen van Juda. Hij hoopte op recht, maar Hij zag onrecht, Hij zag geen betrachting, maar verkrachting van recht.
  
8. Wee degene die huis na huis opkoopt, die akker bij akker trekt tot er geen plaats meer overblijft, en alleen hij nog bezittingen heeft in het land.
  
9. In mijn oren klinkt de eed van de HEER van de machten: `Die talrijke huizen vallen in puin, ook de mooiste en grootste staan leeg en verlaten.
  
10. Een wijngaard van tien morgen levert slechts één bat op, en één ezelslast zaad slechts één efa koren.'
  
11. Wee hun die al 's ochtends vroeg op zoek gaan naar sterke drank, en die zich tot laat in de avond verhitten met wijn.
  
12. Zij houden maar drinkgelagen bij citer en harp, bij fluit en tamboerijn, maar op de daden van de HEER letten zij niet, het werk van zijn handen bemerken zij niet.
  
13. Daarom gaat mijn volk in ballingschap voordat zij het vermoeden; de edelen vergaan van honger, de massa versmacht van dorst.
  
14. Daarom opent het dodenrijk zijn keel, spert het zijn muil mateloos open; luister en tumult verzinken erin, hun gonzende leven en luidruchtige vreugde.
  
15. Dan wordt de mens vernederd, iedereen neergeslagen, de hooghartige ogen van de mensen worden vernederd.
  
16. Maar de HEER van de machten wordt groot in zijn oordeel, in zijn gerechtigheid toont de heilige God zijn heiligheid.
  
17. Lammeren grazen op het puin als op hun weide en vette dieren voeden zich op de ruïnes.
  
18. Wee hun die de straf naar zich toe trekken met schapenkoorden en de vergelding met ossentouwen,
  
19. die durven zeggen: `Laat Hij zich haasten en spoed zetten achter zijn werk, zodat wij het zien; laat het raadsbesluit van de Heilige van Israël maar komen en worden uitgevoerd, zodat wij het leren kennen.'
  
20. Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die van het duister licht maken en van het licht duisternis, van bitter zoet en van zoet bitter.
  
21. Wee hun die wijs zijn in hun eigen ogen, en verstandig naar hun eigen mening.
  
22. Wee die helden in het drinken van wijn, zo dapper in het mengen van dranken,
  
23. die voor een geschenk de schuldige in het gelijk stellen en de rechtvaardige van zijn recht beroven.
  
24. Daarom zal, zoals lekkend vuur het kaf verteert en het stro in de vlammen bezwijkt, hun wortel vergaan en hun bloesem verstuiven als stof, omdat zij het onderricht hebben veracht van de HEER van de machten, omdat zij het woord hebben verworpen van de Heilige van Israël.
  
25. Daarom is de HEER tegen zijn volk in toorn ontstoken; Hij heeft de hand opgeheven en slaat toe, zodat de bergen beven. De lijken liggen als vuil op de straten en nog bedaart zijn woede niet, zijn hand blijft opgeheven.
  
26. Hij geeft een signaal aan een verre natie, Hij fluit ze bijeen van het uiteinde van de aarde: daar komen zij, snel en gezwind.
  
27. Niemand is vermoeid of wankelt, niemand dommelt of slaapt, geen gordel raakt los, geen schoenriem breekt.
  
28. De pijlen zijn gescherpt, de bogen gespannen, de hoeven van hun paarden zijn als vuursteen, de wielen van hun wagens als een wervelwind.
  
29. Zij brullen als de leeuwin, zij brullen als jonge leeuwen, grommend grijpen zij hun prooi en slepen die weg; niemand kan haar meer redden.
  
30. Gebrul als van de zee breekt op die dag over hen los. Wie het land beschouwt, ziet alleen benauwende duisternis en het licht is door wolken verduisterd.


Search in:
Terms:

Vote and Comment on Facebook:Recommend This Page:
Post on Facebook Add to your del.icio.us Digg this story StumbleUpon Twitter Google Plus Post on Tumblr Add to Reddit Pin this story Linkedin Google Bookmark Blogger
Insert Your Personal Insight:

Please do not make mean comments and follow the biblical and spiritual character of this forum. If, however unpleasant situations arise, we request to flag it to us in order to evaluate the situation.

Text source: Willibrordvertaling 1995 Dutch version, public domain.

This project is based on delivering free-of-charge the Word of the Lord in all the world by using electronic means. If you want to contact us, you can do this by writing to the following e-mail: bible-study.xyz@hotmail.com


SELECT VERSION

COMPARE WITH OTHER BIBLES