1. Twijfel je nog of ik alles zie, alles hoor, alles begrijp?
2. Wat jullie weten, weet ik ook; ik loop niet achter!
3. Maar dit is mijn verlangen: ik wil spreken tot de Almachtige en mij verdedigen tegenover God.
4. Maar jullie, jullie pleisteren alles dicht met leugens, jullie allemaal, kwakzalvers!
5. In godsnaam zwijg, als je tenminste nog een greintje verstand hebt.
6. Luister liever naar mijn pleidooi, hoor mijn verdediging.
7. Liegen jullie, spreken jullie onwaarheid omwille van God?
8. Wil je, partijdig genoeg, aan zijn kant gaan staan, zijn advocaat spelen?
9. Kom nou, dat heeft Hij door, je kunt Hem niet bedotten als een mens.
10. Als je op valse gronden partij kiest voor Hem dan zal Hij je leren, reken maar!
11. Heb je dan geen ontzag, huiver je niet voor zijn grootheid?
12. Die wijze woorden van jullie zijn als as, als los zand is dat soort uitspraken.
13. Hou je mond, laat mij aan het woord, wat er ook zal gebeuren.
14. Ik ben bereid om elk risico te nemen, ik zet mijn leven op het spel.
15. Als God mij wil doden, ga ik Hem niet uit de weg, ik blijf mij verdedigen, recht in zijn gezicht.
16. Dat alleen zal uitlopen op mijn redding, want een goddeloze durft zoiets niet.
17. Luister goed naar mij, zet je oren open,
18. want overtuigd van mijn recht geef ik opening van zaken.
19. Als iemand mijn argumenten weerlegt, dan zwijg ik en geef ik mij gewonnen.
20. Maar twee dingen vraag ik om niet voor U te hoeven wegkruipen:
21. haal uw hand boven mij weg, bedreig mij niet:
22. houd uw pleidooi, en ik zal antwoorden. Laat mij spreken en spreek mij niet tegen.
23. Hoe talrijk zijn mijn misstappen, mijn zonden? Leer ze mij kennen.
24. Waarom keert U zich af van mij en behandelt U mij als uw vijand?
25. Wilt U een neergewaaid blad opschrikken, achter een dorre strohalm aanzitten?
26. Waarom vraagt U anders zoveel rekenschap over mij, verhaalt U mijn jeugdzonden op mij,
27. doopt U mijn voeten in de kalk, bewaakt U mijn gaan en staan, en loopt U al mijn sporen na?
28. Zoveel moeite voor iemand die verrot en vergaat als een kleed dat door motten is aangevreten.
|