1. Weer nam Job het woord en zei:
2. `Luister toch eindelijk eens naar mij, en laat dit een troost voor jullie zijn;
3. laat me spreken, daarna kun je spotten zoveel als je wilt.
4. Ik heb het niet tegen een mens, dat weet je toch! Daarom verlies ik juist mijn geduld.
5. Kijk eens naar mij. En kijk verbijsterd! En leg een hand op je mond!
6. In ieder geval: als ik nadenk, raak ik van mijn stuk, ril ik over heel mijn lichaam.
7. Waarom hebben de goddelozen het goed, steeds beter naarmate zij langer leven?
8. Met hun familie gaat het goed, hun ouders leven nog, en de nieuwe generatie treedt al aan.
9. Hun huis geniet een ongestoorde vrede, de gesel van God treft hen niet.
10. Het dekken van hun stieren slaat altijd aan, hun koeien kalven en kennen geen misdracht.
11. Buiten spelen hun kinderen en het lijkt wel een huppelende kudde;
12. zij zingen bij tamboerijn en citer, vermaken zich met muziek en fluit.
13. En pas na een leven in geluk gesleten dalen zij af naar het dodenrijk.
14. Diezelfde mensen zeggen tegen God: "Laat ons met rust, we stellen geen belang in uw plannen."
15. Waarom de Almachtige dienen? Waarom bidden tot Hem?
16. God schenkt de goddelozen alle goeds, maar Hij speelt in hun stuk geen rol.
17. Gaat hun licht ooit uit? Krijgen zij de rampen die ze verdienen? Vermorzelt Gods wraak hen?
18. Worden ze ooit weggeblazen als stro, als kaf meegezogen door de wind?
19. God mag rijkdom bewaren voor zijn kinderen, als Hij hem dan maar eens zijn straf liet voelen,
20. als de Almachtige hem zijn wraak maar liet zien, hem de kelk van vergelding liet drinken.
21. Wat kan hem, eenmaal dood, die familie schelen, als de reeks van zijn jaren ten einde is?
22. Maar brengt God ooit de hoogmoedigen tot inzicht, spreekt Hij ooit een oordeel over hen uit?
23. Nooit! De een blijft gezond tot aan zijn dood, leeft in vrede, zonder zorg,
24. weldoorvoed en goed in het vlees, fris tot in het merg van zijn gebeente,
25. terwijl de ander diepbedroefd sterft, zonder ooit geluk te hebben gekend.
26. Ze liggen wel allebei in het stof, met wormen overdekt.
27. Ik weet wat jullie denken, hier geforceerd tegenin zullen brengen:
28. Wijs ons het huis van die heren, de tent waar die goddelozen wonen.
29. Hebben jullie dan nooit reizigers gesproken? Of is wat zij zeggen niet in tel?
30. Hoor je niet: "Ook de boze blijft in leven, ook hij haalt de oordeelsdag"?
31. Wie klaagt hem dan nog openlijk aan? Wie straft hem voor zijn misdaden?
32. Hij wordt stichtelijk begraven; ook bij zijn tombe wordt gewaakt.
33. Zacht rust hij onder de zoden; zo komen er velen na hem, zo gingen hem velen voor.
34. Waardeloos is jullie troost; je antwoord is bedrog, meer niet.'
|