Bible Study: FrontPage




 

Jozua, Chapter 22

Bible Study - Jozua 22 - Dutch - Willibrord Vertaling 1995 - Web
 
 
 
Comment!       Comment Disqus!
  
1. Toen riep Jozua de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse bij zich
  
2. en zei tegen hen: `U hebt zich gehouden aan de opdracht van Mozes, de dienaar van de HEER, en ook mijn bevelen hebt u opgevolgd.
  
3. U hebt jarenlang, tot vandaag toe, uw broeders niet in de steek gelaten en trouw volbracht wat de HEER uw God u had opgedragen.
  
4. Nu de HEER uw God uw broeders rust gegeven heeft, zoals Hij beloofd had, kunt u teruggaan naar uw tenten, naar het gebied dat Mozes, de dienaar van de HEER, u in het Overjordaanse heeft toegewezen.
  
5. U moet echter trouw blijven aan de geboden en aan de Wet die Mozes, de dienaar van de HEER, u gegeven heeft. U moet dat doen door de HEER uw God lief te hebben, altijd zijn wegen te volgen, zijn geboden te onderhouden, Hem aan te hangen en Hem met heel uw hart en heel uw ziel te dienen.'
  
6. Daarna gaf Jozua hun zijn zegen en liet hen naar hun tenten teruggaan, hetgeen zij ook deden.
  
7. Aan de ene helft van de stam Manasse had Mozes gebied in Basan toegewezen; aan de andere helft had Jozua gebied toegewezen bij hun broeders, ten westen van de Jordaan. Toen Jozua hen naar hun tenten terug liet gaan en hun zijn zegen had gegeven,
  
8. zei hij: `Met veel bezit kunt u nu teruggaan naar uw tenten, met een overvloed aan vee, met zilver, goud, brons en ijzer en veel kleren. U deelt met uw broeders in de buit, die op uw vijanden behaald is.'
  
9. Daarop namen de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse te Silo in Kanaän afscheid van de andere Israëlieten, en gingen terug naar Gilead, het gebied dat hun op bevel van de HEER door Mozes was toegewezen.
  
10. Toen zij bij de steenkringen aan de Jordaan kwamen, bouwden de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse aan de oever van de Jordaan, nog aan de Kanaänitische kant, een altaar, een opvallend groot altaar.
  
11. Zodra de Israëlieten hoorden dat de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse aan de grens van Kanaän bij de steenkringen aan de Jordaan, nog aan de kant van de Israëlieten, een altaar gebouwd hadden,
  
12. verzamelde de hele gemeenschap van de Israëlieten zich in Silo met de bedoeling tegen hen op te trekken.
  
13. De Israëlieten zonden de priester Pinechas, de zoon van Eleazar,
  
14. met tien leiders naar de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse in Gilead, uit elke familie, uit elke stam van Israël één; ieder stond aan het hoofd van een familie in een stam van Israël.
  
15. Toen zij bij de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse waren aangekomen, zeiden zij:
  
16. `Zo spreekt heel de gemeenschap van de HEER: Waarom bent u de God van Israël toch ontrouw geworden en hebt u zich vandaag van de HEER afgekeerd? Waarom bent u vandaag door het bouwen van een altaar tegen de HEER in opstand gekomen?
  
17. Hebben wij niet genoeg aan de zonde van Peor, die een plaag gebracht heeft over het volk waarvan wij ons nog steeds niet gezuiverd hebben?
  
18. U keert zich vandaag van de HEER af en komt tegen Hem in opstand, maar morgen breekt zijn toorn los over de gemeenschap van Israël.
  
19. Als uw eigen gebied onrein is, steek dan over naar het gebied van de HEER, waar zijn verblijfplaats staat, en vestig u bij ons. Maar kom niet tegen de HEER in opstand en verzet u ook niet tegen ons door een altaar te bouwen naast dat van de HEER onze God.
  
20. Ook toen Achan, de zoon van Zerach, verraad pleegde en zich toeëigende wat aan de vernietiging gewijd was, is de toorn losgebarsten over de hele gemeenschap van Israël; en hij was niet de enige die door zijn zonde is omgekomen.'
  
21. Daarop antwoordden de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse aan de stamhoofden van Israël:
  
22. `De HEER, de God der goden, Hij weet het en ook Israël moet het weten: als het onze bedoeling was tegen de HEER op te staan of Hem af te vallen, dan helpe Hij ons niet in deze nood.
  
23. Als wij dit altaar gebouwd hebben om met de HEER te breken, of om hier brand- en meeloffers of slachtoffers op te dragen, dan mag de HEER het ons zelf vergelden!
  
24. Maar wij hebben dit werkelijk gedaan omdat wij bezorgd waren dat uw kinderen later tegen onze kinderen zouden kunnen zeggen: "Wat hebt u met de HEER, de God van Israël, te maken?
  
25. De HEER heeft tussen ons beiden de Jordaan als grens gesteld; u, de Rubenieten en de Gadieten, hebt dus geen erfdeel bij de HEER." Zo zouden onze kinderen door toedoen van uw kinderen ophouden de HEER te vereren.
  
26. Daarom dachten wij, laat ons dit doen: een altaar bouwen, niet voor brand- en slachtoffers,
  
27. maar om voor ons beiden en voor onze nakomelingen te getuigen dat wij met onze brand- en slachtoffers de HEER vereren. Dan kunnen uw kinderen later nooit tegen de onze zeggen: "U hebt geen erfdeel bij de HEER."
  
28. Wij dachten: Wanneer zij dat later tegen ons of onze nakomelingen zeggen, dan kunnen wij zeggen: "Kijk naar de kopie van het altaar van de HEER dat onze voorouders gebouwd hebben: niet om brand- en slachtoffers op te dragen, maar als getuige voor ons beiden."
  
29. Wij willen dus in de verste verte niet tegen de HEER opstaan of ons van Hem afkeren door naast het altaar van de HEER onze God, dat voor zijn verblijfplaats staat, een ander altaar te bouwen voor brandoffers, meeloffers en slachtoffers.'
  
30. Toen de priester Pinechas, de leiders van de gemeenschap en de hoofden van de stammen van Israël de verklaring van de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse gehoord hadden, waren zij tevredengesteld.
  
31. De priester Pinechas, de zoon van Eleazar, zei tegen de Rubenieten, de Gadieten en de Manassieten: `Nu weten wij zeker dat de HEER in ons midden is, want in deze zaak bent u de HEER niet ontrouw geweest. Op deze manier hebt u de Israëlieten voor het ingrijpen van de HEER behoed.'
  
32. Daarop verlieten de priester Pinechas, de zoon van Eleazar, en de leiders de Rubenieten en de Gadieten in Gilead, en keerden terug naar de Israëlieten in Kanaän. Toen zij aan de Israëlieten verslag hadden uitgebracht,
  
33. waren dezen tevredengesteld. Zij prezen God en zagen af van hun plan, om tegen de Rubenieten en de Gadieten op te trekken en hun gebied te verwoesten.
  
34. En de Rubenieten en de Gadieten gaven het altaar een naam. `Want', zeiden zij, `het getuigt voor ons beiden, dat de HEER God is.'


Search in:
Terms:

Vote and Comment on Facebook:Recommend This Page:
Post on Facebook Add to your del.icio.us Digg this story StumbleUpon Twitter Google Plus Post on Tumblr Add to Reddit Pin this story Linkedin Google Bookmark Blogger
Insert Your Personal Insight:

Please do not make mean comments and follow the biblical and spiritual character of this forum. If, however unpleasant situations arise, we request to flag it to us in order to evaluate the situation.

Text source: Willibrordvertaling 1995 Dutch version, public domain.

This project is based on delivering free-of-charge the Word of the Lord in all the world by using electronic means. If you want to contact us, you can do this by writing to the following e-mail: bible-study.xyz@hotmail.com


SELECT VERSION

COMPARE WITH OTHER BIBLES