1. Voor de leider van de muzikanten, op instrumenten uit Susan. Op naam van David. Red mij, red mij, o God, ik sta tot mijn nek in het water.
2. Steeds dieper weggezakt in het slijk, heb ik geen grond meer onder mijn voeten. Ik ben in het diepe geraakt en de kracht van de stroom sleurt mij mee.
3. Mijn keel is moe geschreeuwd en schor, mijn ogen blind van het uitzien naar mijn God.
4. Talrijker dan het haar op mijn hoofd zijn zij die mij haten zonder reden. Die mijn ondergang willen, groeien in aantal, vijanden die mij bedriegen: wat ik nooit heb gestolen zou ik nog terug moeten geven.
5. Ik ben een dwaas, U weet het, o God, mijn schuld is voor U niet verborgen.
6. Maar beschaam degenen die op U hopen, niet vanwege mij, Heer, HEER van de machten; o God, laat degenen die U zoeken niet vanwege mij te schande staan.
7. Want om U draag ik de smaad, en kleuren mijn kaken rood van schaamte;
8. om U werd ik voor mijn broeders een vreemde, een onbekende voor mijn moeders kinderen.
9. De ijver voor uw huis heeft mij verteerd, de smaad van hen die U smaden, is op mij neergekomen.
10. Hoe ik ook weende, hoe ik ook vastte, zij bleven maar spotten met mij.
11. Al trok ik een boetekleed om mij heen, zij bleven hun schimpscheuten op mij richten.
12. Ze zitten bij de poort en praten over mij, zelfs dronkaards zingen een lied op mij.
13. Daarom, o HEER, ga ik tot U bidden: laat uw uur van genade over mij komen; o God, zo mateloos goed, antwoord mij: mijn trouwe helper bent U.
14. Help mij uit het slijk, laat mij niet nog dieper zinken; laat mij ontkomen aan wie mij haten en aan het diepe water.
15. Laat geen waterstroom mij meesleuren; en geen diepte mij verzwelgen, geen grafput zijn muil om mij dichtslaan.
16. Geef mij antwoord, HEER, zo genadig en goed, keer u tot mij in uw grenzenloze ontferming.
17. Wend uw gelaat niet van uw dienaar af, ik zit zo beklemd, geef mij spoedig antwoord.
18. Kom naar mij toe, kom mij verlossen, verlos mij toch, ondanks mijn vijand.
19. U kent toch mijn vernederend lot, U kent mijn schaamte, mijn schande; mijn vijanden staan U voor ogen.
20. Hun spot heeft mijn hart gebroken, ik kom er niet overheen: wie leeft met mij mee? Geen mens. Wie troost mij? Niemand te vinden.
21. Ze mengen vergif in mijn eten, ze geven mij zure wijn voor de dorst.
22. Laat hun tafel voor hen een strik worden en voor hun vrienden tezamen met hen.
23. Laat hun ogen verduisterd raken, zodat zij niet zien en maak hun lendenen voorgoed krachteloos.
24. Giet uw razernij over hen uit, en laat uw laaiende woede hen treffen.
25. Hun landgoed moet een eenzaam oord worden, waar niemand in zijn tent woont.
26. Degenen die U hebt geslagen trappen zij nog na, zij vermeerderen de pijn van hen die U treft.
27. Stapel bij hen daarom schuld op schuld en laat hen niet tot uw vriendenkring toe.
28. Veeg hun naam weg uit het boek van het leven: zij worden niet bij de rechtvaardigen vermeld.
29. Maar ik, die in ellende en pijn leef, o God, laat uw hulp mij er bovenop helpen.
30. Dan loof ik Gods naam met een lied, een lied van dank op zijn grootheid.
31. Dat betekent voor de HEER meer dan een stier, meer dan wat hoeven en hoorns.
32. Als de armen dat zien, zijn zij verheugd. Houd moed, jullie die zoeken naar God:
33. de HEER schenkt misdeelden gehoor, Hij veracht de zijnen niet, al zijn ze geboeid.
34. Hemel en aarde moeten Hem loven, de zee met alles wat daarin beweegt;
35. want God zal Sion bevrijden, de steden van Juda herbouwen. Zijn dienaren verhuizen naar hun bezit;
36. hun nazaten zullen het beërven: en degenen die verknocht zijn aan zijn naam zullen daar wonen.
|