1. Een zangstuk op naam van Asaf. Ja, God is goed voor de rechtvaardigen, goed is Hij voor de zuiveren van hart.
2. Maar ik !!- ik was bijna uitgegleden, het scheelde niets of ik was misgestapt.
3. Ik was jaloers op die opscheppers, zag hoe goed het de bozen vergaat:
4. armoede kennen ze niet, hun lichaam is gezond en doorvoed.
5. Anderen moeten zwoegen !!- zij niet, anderen worden geplaagd !!- zij niet.
6. Verwaandheid is dan ook hun halssieraad, geweld heet de mantel die hen omhult.
7. Hun ogen puilen uit het vlezig hoofd, hun hart loopt over van waan en van onzin;
8. zij hanteren boosaardige spot, hooghartig geweld is hun dreiging.
9. Hun mond komt de hemel te na en hun tong gaat tekeer op aarde.
10. Daarom loopt het volk met hen weg en slurpt hun woorden als water.
11. En dan zeggen ze nog: `Wat deert het God? Is er wel iets dat de Hoogste deert?'
12. Ja, zo zijn de bozen: zij kennen geen zorgen en winnen aan macht.
13. Ik bewaarde mijn hart vergeefs zonder smet, ik waste vergeefs mijn handen in onschuld,
14. want ik word de hele dag gekweld, ik word getuchtigd van morgen tot morgen.
15. Maar als ik zo denk en spreek zou ik ontrouw zijn tegenover uw kinderen.
16. En proberen dit alles te begrijpen, was een opgave die ik niet aankon !!-
17. tot ik binnen mocht gaan in Gods heiligdom en merkte hoe het hun verging.
18. U zet hen, voorwaar, op een glibberig pad, U stort hen neer in het verderf.
19. Wat een val in één ondeelbaar ogenblik, wat een neergang, wat een verbijstering.
20. Men ontwaakt uit een droom en staat op !!- zo weinig telt hun waan voor U, o Heer.
21. Toen mijn hart verbitterd was en mijn nieren verstoord,
22. was ik een domoor, een dwaas, was ik als een rund tegenover U.
23. Want altijd ben ik bij U, U pakt mijn rechterhand vast.
24. U leidt mij volgens uw plan, uiteindelijk neemt U mij met glorie op.
25. Wie anders dan U heb ik in de hemel? Wie anders dan U wil ik op aarde?
26. Al vergaan mijn lichaam en mijn hart, de rots van mijn hart, mijn erfdeel, blijft God voor altijd.
27. Wie U ontloopt komt om; wie zich van U afkeert verdelgt U.
28. Mijn rijkdom is de nabijheid van God; tot de Heer GOD heb ik mijn toevlucht genomen. Van al uw werken zal ik getuigen.
|