1. Tobit riep zijn zoon Tobias en zei tegen hem: `Zorg voor de uitbetaling van je reisgenoot. En je moet hem nog iets extra's geven.'
2. `Vader,' antwoordde Tobias, `ik zou het niet onredelijk vinden hem zelfs de helft van wat ik heb meegebracht te geven.
3. Hij heeft mij immers veilig bij u teruggebracht, mijn vrouw genezen, het geld voor mij gehaald en u eveneens genezen.'
4. De oude man antwoordde: `Daar heeft hij recht op.'
5. Daarna riep hij de engel en zei tegen hem: `Neem de helft van alles wat jullie hebben meegebracht.'
6. Toen nam de engel hen beiden terzijde en zei: `Loof God en dank Hem, eer Hem en laat alles wat leeft jullie dankbaarheid horen voor hetgeen Hij voor jullie gedaan heeft. Het is goed om God te loven en zijn naam te verheerlijken door vol ontzag melding te maken van zijn werken. Aarzel niet Hem jullie erkentelijkheid te betuigen.
7. Geheimen van de koning moet men bewaren, maar de daden van God dienen openlijk geroemd te worden. Doe het goede, dan zal geen kwaad jullie treffen.
8. Bidden is iets goeds als het gepaard gaat met vasten, liefdadigheid en rechtvaardigheid. Beter weinig te bezitten in eerlijkheid dan veel in oneerlijkheid. Het is beter aalmoezen te geven dan goud op te hopen.
9. Want de aalmoes redt van de dood en reinigt van alle zonde. Wie liefdadigheid en rechtvaardigheid beoefent zal het leven bezitten in overvloed.
10. Maar de zondaars doen hun eigen leven te kort.
11. Ik wil niets voor jullie verbergen. Ik heb al gezegd, dat men geheimen van de koning moet bewaren, maar dat Gods werken openlijk geroemd dienen te worden.
12. Nu dan: toen jullie aan het bidden waren, u en Sara, heb ik jullie gebed onder de aandacht van de Heilige gebracht. Ik was het ook die, toen u de doden begroef, dichtbij u was.
13. Ook toen u zonder dralen opstond en uw maaltijd liet staan om een dode te begraven, is die goede daad me niet ontgaan, maar was ik bij u.
14. En daarom heeft God me gezonden om u te genezen, evenals uw schoondochter Sara.
15. Ik ben Rafaël, één van de zeven heilige engelen die de gebeden van de heiligen opdragen en toegang hebben tot voor de heerlijke troon van de Heilige.'
16. Tobit en Tobias waren hevig geschrokken en vol vrees wierpen zij zich op de grond.
17. Maar hij zei tegen hen: `Vrees niet, vrede is jullie toebedeeld. Loof dus God in eeuwigheid.
18. Want dat ik gekomen ben is geen gunst van mij geweest, maar het was de wil van God. Loof Hem daarom in eeuwigheid.
19. Al die tijd dat ik voor jullie zichtbaar was, at en dronk ik niet; het was slechts schijn wat jullie zagen.
20. Welnu, loof God, want ik stijg op naar Hem die mij gezonden heeft. Stel alles wat is voorgevallen te boek.'
21. Toen zij zich weer oprichtten, zagen ze hem niet meer.
22. Zij loofden de grote en wonderbare werken van God, van wie de engel hun verschenen was.
|