1. Nadat ik mijn huis weer terug had en mijn vrouw Anna en mijn zoon Tobias aan mij waren teruggegeven, werd ter ere van mij op Pinksteren, het Wekenfeest, een feestmaal aangericht. Toen ik aan tafel ging
2. en de vele gerechten zag, zei ik tegen mijn zoon: `Ga eens kijken of je ergens een arme, godvrezende volksgenoot vindt, en breng hem dan mee. Ik wacht op je.'
3. Hij kwam terug met de boodschap: `Vader, op de markt ligt een van onze volksgenoten. Ze hebben hem gewurgd.'
4. Ik liet de spijzen onaangeroerd, sprong op en droeg het lijk naar een schuurtje, waar ik het achterliet tot zonsondergang.
5. Thuisgekomen waste ik me en at in droefheid.
6. Ik moest denken aan wat de profeet Amos gezegd heeft: `Jullie feesten zullen in rouw veranderen en al jullie vreugden in gejammer.' En ik weende.
7. Toen de zon was ondergegaan dolf ik een graf en begroef ik het lijk.
8. Mijn naasten maakten zich er vrolijk over: `Hij ziet er niet eens meer tegenop, zijn leven op het spel te zetten; hij heeft al eens moeten vluchten, maar hij gaat gewoon door met het begraven van doden!'
9. Nadat ik de dode begraven had en 's nachts thuiskwam, legde ik me, omdat ik ritueel onrein was, te ruste langs de muur van de binnenplaats, zonder mijn gezicht te bedekken.
10. Ik had niet gemerkt dat er mussen in de muur zaten. Ik had mijn ogen nog open en op een bepaald ogenblik viel er mussendrek in. Ik kreeg witte vlekken in mijn ogen. Ik ging naar artsen, maar zij hielpen mij niet. Achiacharus voorzag in mijn onderhoud totdat hij naar Elymes vertrok.
11. Mijn vrouw Anna probeerde toen met handwerken geld te verdienen.
12. Op zekere dag kreeg ze van de opdrachtgevers aan wie ze werk afleverde bij de betaling een bokje, als geschenk.
13. Toen ze daarmee thuiskwam begon het te mekkeren. Ik vroeg Anna: `Waar komt het bokje vandaan? Is het niet gestolen? Breng het terug naar de eigenaars, want het is niet geoorloofd iets te eten dat gestolen is.'
14. Zij antwoordde: `Ik heb het als geschenk bij mijn loon gekregen.' Maar ik vertrouwde haar niet en zei haar het bokje aan de eigenaars terug te geven. Ik schaamde me over haar. Maar zij antwoordde: `Waar blijf jij met je aalmoezen en je goede werken? Nu komt je ware aard aan het licht.'
|