1. Uw onvergankelijke geest is in alles.
2. Daarom straft U slechts gaandeweg degenen die zondigen; U wijst hen terecht door hun te laten zien waarin zij zondigen, zodat zij, uit hun slechtheid bevrijd, in U, Heer, geloven.
3. Ook de oude bewoners van uw heilige land
4. hebt U gehaat vanwege hun verfoeilijke praktijken, het werken met tovermiddelen en de goddeloze ceremonies:
5. die onbarmhartige kindermoordenaars, die ingewand-eters van maaltijden van mensenvlees en mensenbloed, die ingewijden uit een stoet van uitzinnigen;
6. U hebt de ouders die hulpeloze wezentjes doodden door de hand van onze vaderen willen verdelgen
7. zodat het land dat U bovenal dierbaar is, een waardige bevolking zou krijgen: de zonen van God.
8. Maar ook die oude bewoners hebt U gespaard, omdat het mensen waren: als voorlopers van uw leger hebt U wespen gestuurd, die hen slechts langzaam te gronde moesten richten.
9. Toch was U niet onmachtig om de goddelozen in een open veldslag aan de rechtvaardigen te onderwerpen of hen door vreeswekkende dieren of door een streng bevel ineens te doden.
10. Maar door hen langzamerhand te straffen hebt U hun gelegenheid tot inkeer gegeven, ook al was het U niet onbekend dat hun oorsprong slecht was en hun slechtheid ingeboren en dat hun gedachten in geen eeuwigheid zouden veranderen,
11. omdat het vanaf het begin een vervloekte stam was. Het was ook niet uit angst voor de een of ander dat U hun zonden ongestraft liet.
12. Wie immers zal zeggen: `Wat hebt U gedaan?' of wie zal zich verzetten tegen uw vonnis? Wie zal U aanklagen wegens de ondergang van volken die U zelf geschapen hebt, of wie zal er voor U gaan staan om onrechtvaardige mensen vrij te pleiten?
13. Buiten U is er immers geen God die zorg draagt voor iedereen, zodat U zou moeten bewijzen dat U niet onrechtvaardig gevonnist hebt.
14. Ook is er geen koning of heerser die U kan trotseren wanneer U iemand gestraft hebt.
15. Omdat U rechtvaardig bent, bestuurt U alles rechtvaardig; iemand veroordelen die geen straf verdient acht U onverenigbaar met uw macht.
16. Want uw kracht is de bron van de gerechtigheid en uw heerschappij over iedereen maakt dat U iedereen spaart.
17. Waar niet wordt geloofd in de volkomenheid van uw macht, daar toont U uw kracht en bij degenen die haar kennen beschaamt U de vermetelheid.
18. U hebt de heerschappij over de kracht, U oordeelt met zachtheid en regeert met grote mildheid over ons, want wanneer U maar wilt, staat de macht tot uw dienst.
19. Door zo te doen hebt U uw volk geleerd dat de rechtvaardige menslievend moet zijn en hebt U uw zonen goede hoop gegeven dat U gelegenheid tot inkeer geeft waar gezondigd wordt.
20. Want als U de vijanden van uw zonen, degenen die de dood verdienden, zo behoedzaam en gematigd gestraft hebt, door hun tijd en ruimte te geven om zich van hun slechtheid af te wenden,
21. dan hebt U behoedzaam geoordeeld over de zonen van de vaderen aan wie U eden schonk en verbonden vol goede beloften!
22. Terwijl U ons discipline bijbrengt, geeft U onze vijanden duizenden geselslagen, zodat wij uw goedheid gedenken als wij oordelen. Maar als wij geoordeeld worden, hopen wij op barmhartigheid.
23. Daarom hebt U ook degenen die in verdwazing en ongerechtigheid leefden door hun eigen gruwelijkheden gekweld.
24. Want zij waren verder afgedwaald dan de gewone dwaalwegen door onder de afzichtelijke dieren de meest verachtelijke als goden te beschouwen, misleid als kinderen zonder verstand.
25. Daarom hebt U hun, als kinderen die geen rede verstaan, een straf gezonden die hen bespottelijk maakte.
26. Zij echter die zich niet lieten waarschuwen door de spot van die berisping zullen een straf ondergaan die God waardig is.
27. Geplaagd door de wezens waarvan ze te lijden hadden, gestraft door de wezens die ze als goden beschouwden, zagen zij Hem van wie zij zo lang niet wilden weten en begrijpen dat Hij de ware God is. Daarom trof hen ook de allerzwaarste straf.
|