1. Luister dus, koningen, en wees aandachtig, laat u onderwijzen, u die rechtspreekt tot aan de grenzen van de aarde.
2. Spits uw oren, u die over velen heerst en opschept over de menigten van uw volken,
3. want uw macht is afkomstig van de Heer en uw heerschappij van de Allerhoogste, die uw daden zal onderzoeken en uw bedoelingen zal natrekken.
4. U bent de dienaren van zijn koningschap, maar u hebt niet goed geregeerd, de wet niet onderhouden en niet gewandeld volgens Gods wil.
5. Huiveringwekkend en snel zal Hij tegen u optreden, want een onverbiddelijk vonnis treft de hooggeplaatsten.
6. Aan de lager geplaatsten wordt uit medelijden vergiffenis geschonken, de machtigen echter worden met macht bestraft.
7. De Heer van iedereen is voor niemand bang, en geeft niet om grootheid, want klein en groot heeft Hij zelf gemaakt en voor iedereen koestert Hij evenveel zorg.
8. De machtigen echter staat een streng onderzoek te wachten.
9. Tot u dus, heersers, zijn mijn woorden gericht, zodat u wijsheid leert en niet ten val komt.
10. Want degenen die het heilige heilig onderhouden zullen geheiligd worden en wie daarin onderwezen zijn zullen zich kunnen verantwoorden.
11. Verlang dus vurig naar mijn woorden, wees er begerig naar en u zult onderwezen worden.
12. Stralend en onvergankelijk is de wijsheid en zij wordt gemakkelijk ontdekt door wie haar liefhebben en gevonden door wie haar zoeken.
13. Aan wie haar begeren laat zij zich gauw kennen.
14. Wie vroeg voor haar opstaat, hoeft zich niet moe te maken, want hij vindt haar voor zijn deur.
15. De gedachten op haar richten getuigt van een volmaakt inzicht en wie wakker blijft voor haar zal snel vrij van zorgen zijn.
16. Want zij gaat zelf rond, op zoek naar mensen die haar waardig zijn; op de wegen vertoont zij zich innemend aan hen, en zij komt hun tegemoet bij iedere gedachte.
17. Haar begin is het oprechte verlangen naar onderwijs;
18. de drang naar onderwijs is liefde; de liefde echter is het onderhouden van haar wetten; de ijver voor de wetten is een waarborg voor de onvergankelijkheid;
19. de onvergankelijkheid brengt u in de nabijheid van God;
20. het verlangen naar de wijsheid leidt tot de heerschappij.
21. Dus als u, heersers over de volken, uw vreugde vindt in tronen en in scepters, moet u de wijsheid in ere houden: dan regeert u tot in eeuwigheid.
22. Wat is nu de wijsheid en hoe is zij ontstaan? Ik zal het bekendmaken en haar geheimen niet verbergen: vanaf het begin van de schepping zal ik haar spoor volgen en wat ik van haar weet zal ik belichten en aan de waarheid zal ik niet voorbijgaan.
23. Ik zal niet op weg gaan met de uitgemergelde afgunst, want die heeft met de wijsheid niets gemeenschappelijk.
24. Een groot aantal wijzen is de redding van de wereld en een verstandige koning is het welzijn van het volk.
25. Laat u dus door mijn woorden onderwijzen en u zult er baat bij hebben.
|