1. `God van de vaderen, Heer van de ontferming, U die alles gemaakt hebt door uw woord
2. en die in uw wijsheid de mens hebt toegerust om te heersen over de schepselen die door U het bestaan hebben gekregen,
3. om de wereld te besturen in heiligheid en gerechtigheid en om in oprechtheid van hart een oordeel te vellen,
4. geef mij de wijsheid die naast U troont en sluit mij niet buiten de kring van uw kinderen,
5. want ik ben uw dienaar, de zoon van uw dienstmaagd, een zwak mens, van beperkte levensduur, die tekortschiet in het begrijpen van recht en wetten.
6. Ook al is er onder de zonen van de mensen iemand die volmaakt is, wanneer de wijsheid ontbreekt die van U komt, dan telt hij niet mee.
7. U hebt mij uitverkoren tot koning van uw volk en tot rechter over uw zonen en dochters.
8. U hebt mij bevolen om een tempel te bouwen op uw heilige berg en een offeraltaar in de stad van uw verblijf: een afbeelding van de heilige tent, die U al vanaf het begin bereid hebt.
9. Bij U is de wijsheid die uw werken kent, die aanwezig was toen U de wereld hebt geschapen, en die ook weet wat in uw ogen goed is en wat recht is volgens uw geboden.
10. Zend haar uit de heilige hemelen en laat haar neerdalen van de troon van uw heerlijkheid om bij mij te zijn en met mij te werken, zodat ik weet wat U aangenaam is.
11. Want zij weet en begrijpt alles en zij zal mij verstandig leiden bij mijn werk en mij behoeden met haar glorie.
12. Dan zullen mijn werken aanvaardbaar zijn en zal ik uw volk rechtvaardig besturen en mij de troon van mijn vader waardig tonen.
13. Welke mens kent Gods raadsbesluit of wie vermoedt wat de Heer wil?
14. Want armzalig is het denken van de stervelingen en wankel zijn onze overwegingen.
15. Het vergankelijke lichaam bezwaart de ziel en de aardse tent is een last voor de geest met vele gedachten.
16. Wij vermoeden amper de dingen op aarde; zelfs wat voor de hand ligt ontdekken wij maar met moeite: wie speurt er dan na wat er in de hemelen is?
17. Wie zou uw raadsbesluit gekend hebben, als U de wijsheid niet had gegeven en uw heilige geest niet uit de hemel had gezonden?
18. Zo zijn de paden recht gemaakt van degenen die de aarde bewonen; zo hebben de mensen geleerd wat U aangenaam is, en zijn zij gered door de wijsheid.'
|