Bible Study: FrontPage




 

2 Kronieken, Chapter 28

Bible Study - 2 Kronieken 28 - Dutch - Willibrord Vertaling 1995 - Web
 
 
 
Comment!       Comment Disqus!
  
1. Achaz was twintig jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem, maar hij deed niet wat de HEER behaagt, zoals zijn vader David gedaan had.
  
2. Hij volgde het voorbeeld van de koningen van Israël, en maakte zelfs gegoten beelden voor de baäls.
  
3. Hij offerde in het Ben-Hinnomdal, en hij verbrandde zijn zonen overeenkomstig de gruwelijke gewoonten van de volken die de HEER voor de Israëlieten verdreven had.
  
4. Ook offerde hij en brandde hij wierook op de hoogten, op de heuvels en onder elke groene boom.
  
5. De HEER zijn God leverde hem uit aan de koning van Aram, die hem overwon, en hem met velen van zijn volk gevangen wegvoerde naar Damascus. Hij werd ook overgeleverd aan de koning van Israël, die hem een grote nederlaag toebracht.
  
6. Pekach, de zoon van Remaljahu, liet in Juda op één dag honderdtwintigduizend personen ombrengen, allemaal weerbare strijders; want ze hadden de HEER, de God van hun vaderen, verlaten.
  
7. Zikri, een held uit Efraïm, doodde Maäseja, de zoon van de koning, Azrikam, de hofmaarschalk, en Elkana, de plaatsvervanger van de koning.
  
8. De Israëlieten namen tweehonderdduizend vrouwen en zonen en dochters van hun broeders gevangen, behaalden bovendien een grote buit, en trokken daarmee naar Samaria.
  
9. In Samaria woonde een profeet van de HEER, Oded genaamd. Toen het leger Samaria naderde, ging hij de stad uit en liep ze tegemoet. Hij sprak: `De HEER, de God van uw vaderen, heeft de Judeeërs aan u overgeleverd, omdat Hij woedend op hen was. Maar u hebt hen afgeslacht met een wreedheid die ten hemel schreit.
  
10. En nu denkt u de bewoners van Juda en Jeruzalem bovendien nog te kunnen vertrappen als uw slaven en slavinnen! Maar laadt u daarmee geen schuld op u?
  
11. Luister daarom naar mij en laat deze gevangenen die uw broeders toebehoren vrij, want anders zal de toorn van de HEER op u neerkomen.'
  
12. Nu traden ook enkele van de voornaamste Efraïmieten op het teruggekeerde leger toe: Azarja, de zoon van Jochanan, Berekja, de zoon van Mesillemot, Jechizkia, de zoon van Sallum en Amasa, de zoon van Chadlai.
  
13. Zij spraken hun als volgt toe: `Breng de gevangenen niet de stad binnen. Wij hebben reeds een schuld op ons geladen jegens de HEER, en wilt u onze zonde en onze schuld nog erger maken? Onze schuld is al groot genoeg. Een hevige woede dreigt over Israël los te barsten.'
  
14. Daarom lieten de soldaten ten overstaan van de aanzienlijken en het verzamelde volk de gevangenen vrij en stonden ze hun buit af.
  
15. Mannen die daarvoor met naam aangewezen waren, gingen naar de gevangenen om ze te helpen. Iedereen die naakt was gaven ze kleren en schoeisel uit de buit; ze gaven hun te eten en te drinken en ze zalfden hen. Ten slotte brachten zij hen terug naar hun broeders in Jericho, de Palmenstad; en iedereen die niet goed kon lopen vervoerden zij daarheen op ezels. Daarna keerden zij zelf terug naar Samaria.
  
16. Een tijd later liet koning Achaz aan de koning van Assur vragen om hem te hulp te komen.
  
17. De Edomieten hadden Juda opnieuw verslagen en hadden krijgsgevangenen gemaakt;
  
18. de Filistijnen hadden de steden van de Sefela en de Negeb van Juda geplunderd, en zij hadden Bet-Semes veroverd evenals Ajjalon, Gederot, Soko, Timna en Gimzo met onderhorige gebieden, en zich daar gevestigd.
  
19. De HEER had Juda immers vernederd om Achaz, de koning van Juda, te straffen, omdat hij in Juda de tuchteloosheid had bevorderd, en omdat hij tegen de HEER in opstand gekomen was.
  
20. Maar in plaats van hem te helpen rukte Tiglatpileser, de koning van Assur, tegen hem op en bracht hem in het nauw.
  
21. Want al had Achaz het huis van de HEER en zijn koninklijk paleis en het paleis van de prinsen leeggehaald als gift voor de koning van Assur, het mocht niet baten.
  
22. Zelfs terwijl hij in het nauw gedreven was, kwam koning Achaz nog meer in opstand tegen de HEER.
  
23. Hij offerde aan de goden van Damascus, die hem nog wel verslagen hadden. Want hij dacht: `De goden van de Aramese koningen hebben hen geholpen; wanneer ik offers voor hen opdraag zullen ze mij helpen!' Maar ze werden hem en heel Israël alleen nog maar meer noodlottig.
  
24. Achaz liet al het vaatwerk van het huis bijeenbrengen en het in stukken slaan; hij sloot de poorten van het huis van de HEER en liet altaren oprichten op elke straathoek in Jeruzalem.
  
25. In alle steden van Juda liet hij offerhoogten aanleggen om te offeren aan vreemde goden. Zo tergde hij de HEER, de God van zijn vaderen.
  
26. Verdere bijzonderheden over zijn daden en levenswandel uit vroegere en latere tijd zijn te vinden in het boek van de koningen van Juda en Israël.
  
27. Achaz ging bij zijn vaderen rusten en werd in de stad Jeruzalem begraven, maar niet in de graven van de koningen van Juda. Zijn zoon Hizkia volgde hem op.


Search in:
Terms:

Vote and Comment on Facebook:Recommend This Page:
Post on Facebook Add to your del.icio.us Digg this story StumbleUpon Twitter Google Plus Post on Tumblr Add to Reddit Pin this story Linkedin Google Bookmark Blogger
Insert Your Personal Insight:

Please do not make mean comments and follow the biblical and spiritual character of this forum. If, however unpleasant situations arise, we request to flag it to us in order to evaluate the situation.

Text source: Willibrordvertaling 1995 Dutch version, public domain.

This project is based on delivering free-of-charge the Word of the Lord in all the world by using electronic means. If you want to contact us, you can do this by writing to the following e-mail: bible-study.xyz@hotmail.com


SELECT VERSION

COMPARE WITH OTHER BIBLES