Bible Study: FrontPage




 

2 Koningen, Chapter 9

Bible Study - 2 Koningen 9 - Dutch - Willibrord Vertaling 1995 - Web
 
 
 
Comment!       Comment Disqus!
  
1. Nu ontbood de profeet Elisa iemand van het profetengilde en zei tegen hem: `Doe uw gordel om en ga met deze kruik olie naar Ramot in Gilead.
  
2. Daar aangekomen moet u Jehu opzoeken, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi. Ga naar hem toe, roep hem uit de kring van zijn kameraden en neem hem mee naar een afgezonderd vertrek.
  
3. Neem dan de kruik met olie, giet die uit over zijn hoofd en zeg: "Zo spreekt de HEER: Ik zalf u tot koning van Israël." Doe dan de deur open en maak dat u wegkomt.'
  
4. De jonge profeet ging dus naar Ramot in Gilead.
  
5. Toen hij daar aankwam hielden de legeroversten juist zitting. Hij zei: `Overste, ik heb een boodschap voor u.' Jehu vroeg: `Voor wie van ons?' Hij antwoordde: `Voor uzelf, overste.'
  
6. Jehu stond op, ging naar binnen en daar goot de profeet de olie uit over het hoofd van Jehu en zei tegen hem: `Zo spreekt de HEER, de God van Israël: Ik zalf u tot koning over Israël, het volk van de HEER.
  
7. U moet het huis van Achab, uw heer, uitroeien want Ik wil het bloed van mijn dienaren, de profeten, en dat van al de dienaren van de HEER wreken op Izebel.
  
8. Heel het huis van Achab zal verdwijnen. Alle mannelijke personen in het huis van Achab, van hoog tot laag, zal Ik in Israël verdelgen
  
9. en met het huis van Achab zal Ik hetzelfde doen als met het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en met dat van Baësa, de zoon van Achia.
  
10. De honden zullen Izebel verslinden op het akkerland van Jizreël en niemand zal haar begraven.' Toen deed hij de deur open en maakte dat hij wegkwam.
  
11. Toen Jehu bij de dienaren van zijn heer terugkwam, vroeg men hem: `Alles rustig? Wat moest die idioot van u hebben?' Hij antwoordde hun: `U kent die lieden en hun gepraat toch!'
  
12. Maar zij hielden aan: `Geen uitvluchten, vertel op.' Toen zei Jehu: `Dit en dat heeft hij mij verteld. Hij zei: "Zo spreekt de HEER: Ik zalf u tot koning over Israël."'
  
13. Onmiddellijk namen zij allen hun mantel en spreidden die op de treden van de trap voor hem uit; zij bliezen de bazuin en riepen: `Jehu is koning!'
  
14. Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, stond dus op tegen Joram, die toen met heel het leger van Israël Ramot in Gilead trachtte te verdedigen tegen Hazaël, de koning van Aram,
  
15. en naar huis was gegaan om te herstellen van de wonden die de Arameeërs hem hadden toegebracht. En Jehu sprak: `Als u er zo over denkt, zorg dan dat niemand uit de stad ontsnapt om het in Jizreël te gaan melden.'
  
16. Toen stapte Jehu in zijn wagen en reed naar Jizreël, waar Joram ziek lag en koning Achazja van Juda bij hem op bezoek was.
  
17. De wacht op de toren van Jizreël zag het eskadron van Jehu aankomen en meldde dat. Joram zei: `Neem een ruiter, stuur hem hun tegemoet en laat vragen of alles in orde is.'
  
18. De ruiter reed dus Jehu tegemoet en zei: `De koning vraagt of alles in orde is.' Jehu antwoordde: `Wat hebt u ermee te maken of alles in orde is? Rijd maar achter mij aan.' Nu meldde de wacht: `De bode heeft hen bereikt, maar keert niet terug.'
  
19. Toen stuurde Joram een tweede ruiter. Toen deze bij hem kwam, zei hij: `De koning vraagt of alles in orde is.' Jehu antwoordde: `Wat gaat u dat aan? Rijd maar achter mij aan.'
  
20. En de wacht meldde: `Hij heeft hen bereikt maar keert niet terug. Maar de manier van rijden doet denken aan Jehu, de zoon van Nimsi: hij rijdt als een waanzinnige.'
  
21. Toen beval Joram: `Inspannen!' Toen de wagen ingespannen was, reden koning Joram van Israël en koning Achazja van Juda de stad uit, Jehu tegemoet, ieder in zijn wagen. Zij bereikten hem bij de akker van Nabot, de Jizreëliet.
  
22. Zodra Joram Jehu zag, vroeg hij: `Jehu, is alles in orde?' Hij antwoordde: `Hoe kan alles in orde zijn, zolang de ontucht van uw moeder Izebel en al haar toverkunsten voortduren?'
  
23. Daarop wendde Joram de teugel, vluchtte weg en riep Achazja toe: `Verraad, Achazja!'
  
24. Maar Jehu richtte zijn boog en trof Joram tussen de schouders; de pijl doorboorde zijn hart en hij zakte op zijn wagen in elkaar.
  
25. Vervolgens zei Jehu tegen Bidkar, zijn adjudant: `Pak hem op en gooi hem op het stuk land van Nabot, de Jizreëliet, want u zult zich nog wel herinneren hoe wij samen, zij aan zij, achter zijn vader Achab reden.
  
26. Toen heeft de HEER verkondigd: "Ik heb gisteravond het bloed van Nabot en dat van zijn zonen gezien. Ik zal het u op deze eigen akker betaald zetten, zo spreekt de HEER." Pak hem dus op en gooi hem op die akker, naar het woord van de HEER.'
  
27. Toen Achazja, de koning van Juda, dit gezien had, vluchtte hij weg in de richting van Bet-Haggan. Maar Jehu ging hem achterna en riep: `Sla hem neer!' En zij troffen hem terwijl hij in zijn wagen de helling van Gur bij Jibleam opreed. Wel kon hij nog naar Megiddo vluchten, maar daar stierf hij.
  
28. Zijn dienaren brachten hem over naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn eigen graf, bij zijn vaderen in de Davidsstad.
  
29. In het elfde regeringsjaar van Joram, de zoon van Achab, was Achazja koning van Juda geworden.
  
30. Jehu ging naar Jizreël. Zodra Izebel dit hoorde, zette zij haar ogen aan, maakte haar kapsel op en ging aan het venster staan kijken.
  
31. Toen Jehu de poort binnenkwam riep zij: `Is alles in orde, Zimri? Is alles in orde, moordenaar van je heer?'
  
32. Hij keek omhoog naar het venster en riep: `Wie staat er aan mijn kant? Wie?' En toen twee of drie hovelingen in zijn richting keken,
  
33. riep hij: `Gooi haar naar beneden.' En zij wierpen haar naar beneden; haar bloed spatte op tegen de muur en tegen de paarden die haar vertrapten.
  
34. Toen ging hij de stad in, at en dronk en zei: `Ga eens kijken naar dat vervloekte schepsel en begraaf haar; zij is tenslotte een koningsdochter.'
  
35. Zij gingen weg om haar te begraven maar vonden van haar alleen maar de schedel, de voeten en de handen.
  
36. Zij kwamen terug en vertelden het hem, waarop hij zei: `Dat is wat de HEER door zijn dienaar Elia, de Tisbiet, voorzegd heeft: Op het akkerland van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel verslinden
  
37. en het lijk van Izebel zal als mest op het land zijn, op het akkerland van Jizreël, zodat men niet zal kunnen zeggen: "Hier ligt Izebel."'


Search in:
Terms:

Vote and Comment on Facebook:Recommend This Page:
Post on Facebook Add to your del.icio.us Digg this story StumbleUpon Twitter Google Plus Post on Tumblr Add to Reddit Pin this story Linkedin Google Bookmark Blogger
Insert Your Personal Insight:

Please do not make mean comments and follow the biblical and spiritual character of this forum. If, however unpleasant situations arise, we request to flag it to us in order to evaluate the situation.

Text source: Willibrordvertaling 1995 Dutch version, public domain.

This project is based on delivering free-of-charge the Word of the Lord in all the world by using electronic means. If you want to contact us, you can do this by writing to the following e-mail: bible-study.xyz@hotmail.com


SELECT VERSION

COMPARE WITH OTHER BIBLES