Bible Study: FrontPage




 

2 Samuël, Chapter 24

Bible Study - 2 Samuël 24 - Dutch - Willibrord Vertaling 1995 - Web
 
 
 
Comment!       Comment Disqus!
  
1. Opnieuw ontvlamde de woede van de HEER tegen de Israëlieten. Hij zette David tegen hen op door te zeggen: `Ga een volkstelling houden in Israël en Juda.'
  
2. Daarom zei de koning tegen Joab, zijn legeraanvoerder: `Ga rond bij alle stammen van Israël, van Dan tot Berseba, om het volk te tellen; ik wil weten hoe talrijk het is.'
  
3. Joab antwoordde de koning: `Ik hoop dat de HEER het volk nog honderdmaal zo talrijk maakt en dat mijn heer de koning daar getuige van zal zijn, maar waarom wenst de koning eigenlijk een telling?'
  
4. Maar Joab en de andere aanvoerders van het leger konden zich niet aan het bevel van de koning onttrekken. Daarom gingen zij van de koning weg om het volk Israël te tellen.
  
5. Ze staken de Jordaan over en begonnen bij Aroër, ten zuiden van de stad die halverwege de waterbedding ligt. Vanuit daar trokken zij naar de Gadieten en naar Jazer,
  
6. en verder naar Gilead en naar het land van de Hethieten. Daarna gingen zij naar Dan-Jaän en de omgeving van Sidon.
  
7. Vervolgens kwamen zij in de vesting Tyrus en alle steden van de Chiwwieten en Kanaänieten. Ten slotte gingen zij naar Berseba, in de Negeb van Juda.
  
8. Nadat zij het hele land hadden doorkruist, kwamen zij na verloop van negen maanden en twintig dagen in Jeruzalem terug.
  
9. Joab deelde de uitslag van de telling aan de koning mee: Israël telde achthonderdduizend weerbare mannen die het zwaard konden hanteren, en Juda vijfhonderdduizend.
  
10. Nadat David de volkstelling had laten houden, kreeg hij wroeging en hij zei tegen de HEER: `Ik heb zwaar gezondigd door dat te doen. Ach HEER, vergeef toch de zonde van uw dienaar; ik handelde als een dwaas.'
  
11. Toen David de volgende ochtend opstond, was het woord van de HEER al tot de profeet Gad gekomen, de ziener van David:
  
12. `Ga tegen David zeggen: "Zo spreekt de HEER: Drie dingen leg Ik u voor, waarvan u er één moet kiezen; daarmee zal Ik u treffen."'
  
13. Gad ging naar David, legde hem dit voor en vroeg: `Moet er zeven jaar hongersnood over uw land komen, wilt u drie maanden lang, achtervolgd door uw vijanden, op de vlucht zijn, of moet drie dagen lang de pest door uw land gaan? Denk goed na en beslis dan wat ik moet antwoorden aan Hem die mij zendt.'
  
14. Toen zei David tegen Gad: `Ik weet me geen raad, maar wij kunnen beter in de hand van de HEER vallen dan in de handen van mensen, want zijn barmhartigheid is groot.'
  
15. Dus liet de HEER de pest op Israël los, vanaf die ochtend tot op de vastgestelde tijd, en er stierven van Dan tot Berseba zeventigduizend mensen.
  
16. Toen de engel van de HEER zijn hand uitstak om ook Jeruzalem te teisteren, kreeg de HEER spijt over het onheil en zei Hij tegen de engel die het volk wilde teisteren: `Het is genoeg; laat uw hand zakken.' De engel van de HEER stond bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet.
  
17. Toen David de engel zag die het volk teisterde, zei hij tegen de HEER: `Ach Heer, alleen ik heb gezondigd, alleen ik heb verkeerd gehandeld, maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? Verhef uw hand liever tegen mij en tegen het huis van mijn vader!'
  
18. Die dag ging Gad naar David en zei tegen hem: `Ga daar boven, op de dorsvloer van Arauna de Jebusiet, een altaar oprichten voor de HEER.'
  
19. En David ging op weg zoals de HEER hem door het woord van de profeet had opgedragen.
  
20. Arauna zag de koning en zijn hovelingen naar boven komen, hij liep hun tegemoet en bracht de koning diep gebogen zijn hulde.
  
21. Arauna vroeg: `Wat brengt mijn heer de koning ertoe zijn dienaar te komen bezoeken?' David antwoordde: `Ik wil uw dorsvloer kopen om er voor de HEER een altaar te bouwen; dan zal deze plaag van het volk worden weggenomen.'
  
22. Daarop zei Arauna tegen David: `Mijn heer de koning mag alles nemen wat hij voor zijn offer nodig heeft. Hier zijn de runderen voor het brandoffer; de dorssleden en het tuig van de runderen kunnen dienen als brandhout.
  
23. Dit alles, koning, biedt Arauna u aan. De HEER uw God', zo voegde Arauna eraan toe, `zij u genadig.'
  
24. Maar de koning zei tegen Arauna: `Nee, ik sta erop het voor de volle prijs van u te kopen, want ik wil aan de HEER mijn God geen offers opdragen die mij niets gekost hebben.' David kocht toen de dorsvloer en de runderen voor vijftig sikkel zilver.
  
25. Hij bouwde daar een altaar voor de HEER en droeg er brand- en slachtoffers op. De HEER nam dat aan als verzoening voor het land en de plaag werd van Israël weggenomen.


Search in:
Terms:

Vote and Comment on Facebook:Recommend This Page:
Post on Facebook Add to your del.icio.us Digg this story StumbleUpon Twitter Google Plus Post on Tumblr Add to Reddit Pin this story Linkedin Google Bookmark Blogger
Insert Your Personal Insight:

Please do not make mean comments and follow the biblical and spiritual character of this forum. If, however unpleasant situations arise, we request to flag it to us in order to evaluate the situation.

Text source: Willibrordvertaling 1995 Dutch version, public domain.

This project is based on delivering free-of-charge the Word of the Lord in all the world by using electronic means. If you want to contact us, you can do this by writing to the following e-mail: bible-study.xyz@hotmail.com


SELECT VERSION

COMPARE WITH OTHER BIBLES