1. Op naam van David. De HEER is mijn licht, mijn heil !!- voor wie zou ik vrezen? De HEER is mijn burcht, mijn behoud !!- voor wie zou ik beven?
2. Toen bozen op mij af stormden om mij levend te verslinden, struikelden en vielen zij zelf, die vijanden en belagers.
3. Al slaat een leger het beleg rond mij, mijn hart zal niet vrezen; al woedt een oorlog tegen mij, ik behoud mijn vertrouwen.
4. Want ik heb één verzoek aan de HEER, ik ken slechts één verlangen: wonen in het huis van de heer, al de dagen van mijn leven, om te genieten van de pracht van de HEER, met vreugde zijn heiligdom in mij op te nemen.
5. Op de dag van de grote gevaren zal Hij mij bergen onder zijn dak, mij diep in zijn tent verbergen en veilig op de rots laten staan.
6. Met kop en schouders steek ik uit boven al mijn vijanden rondom mij. Ik zal offers brengen in de tent van de HEER, offers onder bazuingeschal. Ik zal musiceren en zingen voor de HEER.
7. Hoor, HEER, hoe hard ik roep. Ontferm u en geef mij antwoord.
8. Tot U zegt mijn hart: `Ik zocht uw gelaat.' Uw gelaat blijf ik zoeken,
9. verberg uw gelaat niet voor mij. Wees niet woedend, wijs uw dienstknecht niet af. U bent mijn helper, verstoot mij niet; laat mij niet in de steek, God, mijn heil.
10. Als vader en moeder mij verlaten, haalt de HEER mij in huis.
11. HEER, leer mij omgaan met U, leid mij langs effen wegen, tegen mijn vijanden in.
12. Heer, lever mij niet uit aan mijn wraakzuchtige vijanden. Valse getuigen staan tegen mij op en zieden van woede en geweld.
13. Wie zou ik zijn als ik er niet op had vertrouwd de goedheid van de HEER te genieten in dit land van de levenden?
14. Wacht in vertrouwen op de HEER met een dapper, standvastig gemoed; wacht in vertrouwen op de HEER.
|