1. Over uw heiligen echter straalde het helderste licht. De anderen, die wel hun stemmen hoorden, maar hun gedaanten niet zagen, prezen zich gelukkig omdat zij niet hetzelfde ondergingen.
2. Zij waren ook dankbaar dat ze niet geschaad werden door degenen die door hen onrechtvaardig behandeld waren, en ze vroegen vergiffenis voor hun vijandig gedrag.
3. In ruil daarvoor gaf U een vlammende vuurzuil als gids op een onbekende weg, als een onschadelijke zon op een roemvolle tocht.
4. Die anderen verdienden het van het licht beroofd te worden en te worden opgesloten in de kerker van de duisternis, omdat zij uw zonen in een kerker hadden opgesloten, door wie het onvergankelijke licht van de wet aan de wereld moest worden geschonken.
5. Toen zij besloten hadden de kinderen van de heiligen te doden en toen dat ene kind te vondeling gelegd was en gered werd, strafte U hen door een menigte van hun kinderen weg te nemen en henzelf, allemaal tegelijk, door een vloed van water te doden.
6. Die nacht was aan onze vaderen tevoren bekendgemaakt, zodat zij, zeker wetend op welke eden zij vertrouwden, vol vreugde zouden zijn.
7. Wat door uw volk verwacht werd was: redding voor de rechtvaardigen en ondergang voor de vijanden.
8. Want door datgene waarmee U de tegenstanders strafte, hebt U roem verleend aan ons, de door U geroepenen.
9. In het verborgene brachten de heilige zonen van de vrome mensen hun offer en zij aanvaardden eensgezind de goddelijke Wet, dat de heiligen gelijkelijk zouden delen in dezelfde goede dingen en dezelfde gevaren; vooraf zongen zij reeds de lofzangen van hun vaderen.
10. Daartegenin weerklonk het harde geschreeuw van de vijanden en was overal de jammerklacht te horen om de betreurde kinderen.
11. Door dezelfde straf werden de slaaf en de heer gestraft en de man uit het volk onderging hetzelfde lot als de koning.
12. Allemaal samen hadden zij door eenzelfde soort dood ontelbare lijken; en zelfs om die te begraven waren de levenden niet talrijk genoeg, want in één oogwenk was hun kostbaarste nageslacht te gronde gegaan.
13. Zij die vanwege hun toverkunsten volkomen ongelovig waren gebleven, erkenden bij de ondergang van hun eerstgeborenen dat dit volk de zoon van God was.
14. Want terwijl een diepe stilte alles omgaf en de nacht in zijn snelle loop halverwege was gekomen,
15. kwam uw alvermogend woord van zijn koningstroon in de hemel en sprong als een grimmige krijgsman midden in het onzalige land.
16. Het droeg een scherp zwaard, uw ondubbelzinnige bevel; het stelde zich op en verspreidde overal de dood; het raakte de hemel, terwijl het op de aarde stond.
17. En meteen brachten vreselijke droomgezichten hen toen in verwarring en onverwachte angsten overvielen hen.
18. Halfdood stortten zij neer, de een hier, de ander daar, en maakten bekend waarom zij stierven.
19. Dat was hun namelijk eerder onthuld door de dromen die hen hadden verbijsterd, zodat zij niet zouden omkomen zonder te weten waarom zij zo zwaar getroffen werden.
20. Maar ook de rechtvaardigen werden door een beproeving van de dood overvallen en in de woestijn werd de menigte geteisterd, maar de toorn hield niet lang aan;
21. want een onberispelijke man sprong gehaast voor hen in de bres, uitgerust met de wapens van zijn eigen dienst, gebed en verzoenend wierookoffer. Hij weerstond de toorn en maakte een eind aan het onheil; daarmee liet hij zien dat hij uw dienaar was.
22. En hij triomfeerde niet over het onheil met lichaamskracht en wapengeweld, maar met zijn woord bedwong hij degene die de straf voltrok; door de verbonden en de eden die aan de vaderen waren gezworen, in herinnering te brengen.
23. Toen de doden al bij hopen op elkaar lagen, ging hij in het midden staan, stuitte de woede en sneed de weg af naar de levenden;
24. want op zijn mantel stond de hele wereld en de roem van de vaderen stond op vier rijen gesneden stenen en uw luister stond op de diadeem van zijn hoofd.
25. Daarvoor week de verdelger, daarvoor was hij beducht: alleen een blijk van de toorn was al voldoende.
|