1. Over de goddelozen echter kwam genadeloze woede, tot het uiterste toe; zelfs wat er met hen zou gaan gebeuren wist Hij al van tevoren:
2. dat zij, na zelf op hun vertrek te hebben aangedrongen en hen ijlings te hebben weggezonden, spijt zouden krijgen en hen achterna zouden zitten.
3. Want terwijl ze nog bezig waren met hun rouw en weeklaagden aan de graven van de doden, namen zij een ander, onzinnig, besluit, en degenen die zij onder smeekbeden hadden weggestuurd achtervolgden zij nu alsof zij weglopers waren,
4. want tot dat uiterste dreef hen een drang die zij zelf verdiend hadden; die hen deed vergeten wat er gebeurd was, zodat zij de straf, die nog aan hun kwelling ontbrak, helemaal zouden ondergaan;
5. en uw volk zou een ongehoorde tocht wagen, maar zij, de Egyptenaren, zouden een ongewone dood vinden.
6. Want heel de schepping werd in haar eigen vorm opnieuw gevormd, in gehoorzaamheid aan uw bevelen, zodat uw zonen zonder letsel behouden zouden blijven.
7. Men zag de wolk de legerplaats overschaduwen en droog land oprijzen waar tevoren water stond: de Rietzee werd een welgebaande weg, de wilde branding een grazige vlakte.
8. Zij die door uw hand werden beschermd, trokken daar met heel hun volk doorheen, na wonderbaarlijke tekenen aanschouwd te hebben.
9. Zij graasden daar als paarden en huppelden er als lammeren, terwijl zij de lof zongen van U, Heer, hun redder.
10. Zij herinnerden zich ook wat zij in vreemde streken hadden meegemaakt, hoe de muggen niet door levende wezens werden voortgebracht, maar uit de aarde tevoorschijn kwamen, en hoe de kikkers niet door waterdieren werden voortgebracht, maar door de rivier in groten getale werden uitgebraakt.
11. Later zagen zij ook een nieuw ontstaan van vogels, toen zij, door begeerte gedreven, om uitgelezen vlees vroegen;
12. want om hen tevreden te stellen stegen er uit de zee kwartels voor hen op.
13. De straffen troffen de zondaars niet zonder dat er tekenen aan vooraf waren gegaan door heftige bliksemflitsen. Terecht leden zij om hun eigen boze daden, want zij hadden zich overgegeven aan een bijzonder bittere haat tegen vreemdelingen.
14. Die anderen immers wilden de onbekende mannen die naar hen toe kwamen, niet opnemen; zij echter hadden vreemdelingen die hun weldoeners waren tot hun slaven gemaakt.
15. En dat niet alleen, maar er zal zeker een bepaald oordeel over die anderen geveld worden, aangezien ze de vreemdelingen vijandig ontvingen;
16. zij daarentegen hebben hen met feestbetoon ontvangen en daarna, toen ze reeds in hun rechten deelden, met harde arbeid gekweld.
17. Zij zijn dan ook met blindheid geslagen !!- net als die anderen bij de deur van de rechtvaardige !!- toen zij omgeven werden door een onmetelijke duisternis en iedereen de weg moest zoeken naar zijn eigen deur.
18. Want de elementen wijzigen hun onderlinge verhouding en veranderen daardoor, net als de tonen op een harp, het soort ritme, terwijl ze geheel en al hun klank behouden, hetgeen duidelijk valt op te maken uit een beschouwing van wat gebeurd is.
19. Landdieren veranderden in waterdieren en zwemmende dieren verhuisden naar het land.
20. Het vuur overtrof zijn eigen kracht in het water en het water vergat zijn vermogen om te blussen.
21. Anderzijds werd het vlees van zeer kwetsbare dieren niet verzengd door de vlammen waarin ze rondliepen en de ijsachtige, licht smeltbare substantie van het goddelijke voedsel smolt er niet door.
22. In alle opzichten, Heer, hebt U uw volk groot gemaakt en verheerlijkt. U liet het niet in de steek, maar U hebt het altijd en overal bijgestaan.
|