Bible Study: FrontPage




 

Judita, Chapter 8

Bible Study - Judita 8 - Dutch - Willibrord Vertaling 1995 - Web
 
 
 
Comment!       Comment Disqus!
  
1. Dat kwam Judit ter ore; zij was de dochter van Merari, de zoon van Ox, de zoon van Jozef, de zoon van Uzziël, de zoon van Helkia, de zoon van Ananja, de zoon van Gideon, de zoon van Rafaïn, de zoon van Achitub, de zoon van Elia, de zoon van Chilkia, de zoon van Eliab, de zoon van Natanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadaï, de zoon van Israël.
  
2. Haar man heette Manasse, en behoorde tot dezelfde stam en familie als zij. Hij was gestorven in de tijd van de gerstoogst.
  
3. Terwijl hij toezicht hield op de schovenbinders in de vlakte, kreeg hij een zonnesteek. Hij ging liggen op zijn bed en stierf in Betulia, zijn woonplaats. Ze begroeven hem bij zijn voorvaderen op het veld dat tussen Dotan en Balamon ligt.
  
4. Al drie jaar en vier maanden leefde Judit als weduwe.
  
5. Op het dak van haar woning had ze een tent laten zetten. Om haar lendenen droeg ze een zak en ze ging als weduwe gekleed.
  
6. En al de dagen van haar weduwschap vastte zij, behalve op de vooravond van de sabbat, op de sabbat zelf, de dag voor en tijdens de nieuwe maan, evenals op de feest- en vreugdedagen van het huis van Israël.
  
7. Zij was een mooie verschijning, zeer mooi om te zien. Haar man Manasse had haar goud en zilver nagelaten, dienaren en dienaressen, vee en akkers; dit alles beheerde zij.
  
8. Niemand wist iets kwaads over haar te vertellen: zij was zeer godvrezend.
  
9. Judit hoorde van de heilloze eisen die het volk aan de magistraten van de stad gesteld had, omdat het door het watergebrek alle moed had verloren. Ook hoorde ze dat Uzzia hun onder ede beloofd had de stad na vijf dagen uit te leveren aan de Assyriërs.
  
10. Ze stuurde haar kamenier, die met het beheer van al haar goederen belast was, naar Chabris en Karmi, de oudsten van haar stad, met het verzoek bij haar te komen.
  
11. Toen ze bij haar gekomen waren, zei ze tegen hen: `Luister naar mij, magistraten van Betulia: het was verkeerd van u om het volk vandaag te beloven, en u daartoe tegenover God met een eed te verbinden, om de stad aan onze vijanden uit te leveren, als de Heer u binnen vijf dagen niet te hulp komt.
  
12. Wie bent u, dat u het gewaagd hebt God op de proef te stellen en dat u zich vandaag als gewone mensen boven God hebt gesteld?
  
13. U probeert de raadsbesluiten van de almachtige Heer te doorgronden, maar nooit in de eeuwigheid zult u daarin slagen.
  
14. De diepte van het mensenhart kunt u niet peilen, en de bewegingen van zijn geest niet vatten. Hoe kunt u dan God, die dat alles gemaakt heeft, doorzien, zijn gedachten doorgronden en zijn inzichten begrijpen? Nee, broeders, maak de HEER onze God niet kwaad.
  
15. Ook als Hij ons niet binnen vijf dagen te hulp komt, dan blijft Hij toch bij machte om ons op de tijd die Hij uitkiest, te redden of te vernietigen voor het oog van onze vijand.
  
16. Maar u moet niet proberen om besluiten af te dwingen van de Heer onze God. God laat zich niet zoals een mens in het nauw drijven, noch kan men Hem de wet voorschrijven als aan een mensenkind.
  
17. Laten we daarom geduldig blijven wachten tot Hij ons komt redden, en bidden dat Hij ons te hulp komt. Hij zal ons verhoren als het Hem aanstaat.
  
18. Want in onze tijd is er bij ons, tot op de dag van vandaag, geen stam of familie, geen gewest of stad waar men buigt voor met de hand gemaakte goden, zoals dat vroeger gebeurde.
  
19. Daarom werden onze vaderen overgeleverd aan zwaard en plundering en gingen zij rampzalig ten onder aan onze vijanden.
  
20. Maar wij erkennen geen andere God dan Hem. Daarom mogen wij erop vertrouwen dat Hij ons en onze families niet zal vergeten.
  
21. Krijgen zij ons in hun macht, dan valt ook heel Judea hun in handen en zal ons heiligdom worden geplunderd. En voor die ontwijding zullen wij met ons bloed moeten boeten.
  
22. Ook de dood van onze broeders, de verovering van het land en de verwoesting van ons erfdeel zal God op ons hoofd laten neerkomen, door ons als slaven onder de volken te verspreiden; we zullen een voorwerp van spot en hoon zijn voor wie ons kopen.
  
23. Onze slavernij zal geen uitzicht bieden op gratie, maar de Heer onze God zal haar een blijvende schande laten zijn.
  
24. Welaan dan, broeders, laten we onze landgenoten tonen wat we waard zijn: hun leven hangt immers van ons af, en het heiligdom, de tempel en het altaar staan of vallen met ons.
  
25. Laten we de Heer onze God danken, dat Hij ons op de proef stelt zoals Hij met onze voorvaderen heeft gedaan.
  
26. Denk aan wat Hij met Abraham gedaan heeft en hoe Hij Isaak op de proef heeft gesteld en alles wat Jakob overkomen is in Syrisch Mesopotamië, waar hij de kudde weidde van Laban, de broer van zijn moeder.
  
27. Want zoals Hij hen zwaar op de proef gesteld heeft om hun hart te testen, zo bestraft Hij ons niet om ons te straffen; degenen die zich tot Hem richten straft de Heer uit zorg voor hun welzijn.'
  
28. Daarop zei Uzzia tegen haar: `Alles wat u gezegd hebt is verstandig gesproken. Niemand zal er iets tegenin kunnen brengen.
  
29. Het is niet de eerste keer dat u van wijsheid blijk geeft; heel het volk weet dat u al in uw jeugd een scherp inzicht toonde. De bedoeling van uw hart is goed.
  
30. Maar het volk leed hevige dorst en het heeft ons een belofte afgedwongen en een eed van ons geëist die we niet mogen schenden.
  
31. U bent een vrome vrouw; bid daarom voor ons, dat de Heer onze waterbakken vol laat regenen; dan zullen wij niet langer van dorst wegkwijnen.'
  
32. Judit antwoordde: `Luister. Ik ga iets ondernemen waarvan de faam zal doordringen tot de verste generaties van ons volk.
  
33. Zorg dat u vannacht bij de poort staat, dan zal ik met mijn kamenier de stad uitgaan. En binnen de termijn die u hebt vastgesteld, voordat u de stad aan de vijand wilt uitleveren, zal de Heer Israël door mijn hand redden.
  
34. Maar probeer niet te achterhalen wat ik ga doen. Ik zeg er niets over totdat ik het heb uitgevoerd.'
  
35. Uzzia en de magistraten zeiden tegen haar: `Ga in vrede, en moge de Heer God u bijstaan om onze vijanden te straffen.'
  
36. Ze verlieten de tent en keerden terug naar hun post.


Search in:
Terms:

Vote and Comment on Facebook:Recommend This Page:
Post on Facebook Add to your del.icio.us Digg this story StumbleUpon Twitter Google Plus Post on Tumblr Add to Reddit Pin this story Linkedin Google Bookmark Blogger
Insert Your Personal Insight:

Please do not make mean comments and follow the biblical and spiritual character of this forum. If, however unpleasant situations arise, we request to flag it to us in order to evaluate the situation.

Text source: Willibrordvertaling 1995 Dutch version, public domain.

This project is based on delivering free-of-charge the Word of the Lord in all the world by using electronic means. If you want to contact us, you can do this by writing to the following e-mail: bible-study.xyz@hotmail.com


SELECT VERSION

COMPARE WITH OTHER BIBLES