Bible Study: FrontPage




 

Jozua, Chapter 10

Bible Study - Jozua 10 - Dutch - Willibrord Vertaling 1995 - Web
 
 
 
Comment!       Comment Disqus!
  
1. Adonisedek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en aan de vernietiging had gewijd, en het dus op dezelfde manier had behandeld als Jericho en zijn koning, en dat de inwoners van Gibeon vriendschap met de Israëlieten hadden gesloten, zodat ze in hun gebied konden blijven.
  
2. Zo ontstond er grote paniek, want Gibeon was een grote stad, even groot als een koningsstad, groter dan Ai, en het beschikte over dappere soldaten.
  
3. Daarom zond Adonisedek, de koning van Jeruzalem, aan Hoham, de koning van Hebron, aan Piram, de koning van Jarmut, aan Jafia, de koning van Lakis, en aan Debir, de koning van Eglon, deze boodschap:
  
4. `Kom mij helpen om Gibeon te verslaan, want het heeft vriendschap gesloten met Jozua en de Israëlieten.'
  
5. Daarop trokken de vijf Amoritische koningen gezamenlijk op: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon, ieder met zijn leger. Zij belegerden Gibeon en deden aanvallen op de stad.
  
6. Toen stuurden de inwoners van Gibeon een boodschap naar Jozua in het kamp bij Gilgal: `Laat uw dienaren niet in de steek! Kom met spoed naar ons toe en bevrijd ons. Help ons, want de Amoritische koningen van het bergland zijn gezamenlijk tegen ons opgerukt.'
  
7. Daarop trok Jozua vanuit Gilgal op, met heel het leger en alle keurtroepen.
  
8. En de HEER sprak tot Jozua: `Wees niet bang voor hen: Ik lever hen aan u uit. Niemand van hen zal u kunnen weerstaan.'
  
9. Na een nachtelijke mars vanuit Gilgal deed Jozua een onverwachte aanval op de vijanden,
  
10. en de HEER bracht hen in verwarring voor Israël. Zo brachten de Israëlieten hun bij Gibeon een zware nederlaag toe, achtervolgden hen de berghelling op naar Bet-Choron, en bleven hen bestoken tot bij Azeka en Makkeda.
  
11. Toen zij, vluchtend voor Israël, op de steile afdaling van Bet-Choron gekomen waren, liet de HEER uit de hemel grote stenen op hen neerhagelen, die hen doodden. Dat duurde tot Azeka toe. Er stierven er meer door de hagelstenen dan de Israëlieten met het zwaard konden doden.
  
12. Op die dag, toen de HEER de Amorieten aan de Israëlieten uitleverde, heeft Jozua tot de HEER gesproken en hij heeft in aanwezigheid van de Israëlieten gezegd: `Zon, sta stil boven Gibeon, en jij, maan, boven Ajjalons dal.'
  
13. En de zon stond stil en de maan bleef staan, terwijl het volk zijn vijand afstrafte. Zo staat het geschreven in het Boek van de Rechtvaardige. De zon bleef midden aan de hemel staan en haastte zich niet onder te gaan, bijna een hele dag.
  
14. Nooit eerder, en ook later niet, is er een dag geweest waarop de HEER zo naar de stem van een mens heeft geluisterd. Werkelijk, het was de HEER die voor Israël vocht.
  
15. Toen keerde Jozua met alle Israëlieten terug naar het kamp bij Gilgal.
  
16. De vijf koningen die op de vlucht waren geslagen, verborgen zich in een grot bij Makkeda.
  
17. Men berichtte Jozua: `De vijf koningen zijn gevonden: ze zitten in een grot bij Makkeda.'
  
18. Toen zei Jozua: `Rol dan grote stenen voor de ingang van de grot en zet er wachtposten bij.
  
19. Maar blijf de vijand achtervolgen; vernietig hun achterhoede en geef hun geen kans om hun steden te bereiken. De HEER heeft hen aan u uitgeleverd.'
  
20. Nadat Jozua en de Israëlieten de Amorieten een verpletterende nederlaag hadden toegebracht, en de vluchtelingen die waren ontkomen hun versterkte steden bereikt hadden,
  
21. keerde heel het volk veilig naar Jozua terug, in het kamp bij Makkeda. Niemand durfde nog iets tegen de Israëlieten te ondernemen.
  
22. Toen beval Jozua: `Maak de ingang van de grot vrij en breng de vijf koningen uit de grot bij mij.'
  
23. Zij brachten dus de vijf koningen uit de grot bij hem: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon.
  
24. Toen men die koningen bij Jozua gebracht had, liet hij alle Israëlieten bijeenroepen en sprak tot de aanvoerders van de soldaten die met hem meegetrokken waren: `Kom hier en zet uw voet op de nek van deze koningen.' Zij kwamen en zetten hun voet op hun nek.
  
25. Toen zei Jozua: `Wees niet bang of ontsteld; blijf moedig en sterk: zo zal de HEER doen met alle vijanden tegen wie u oorlog moet voeren.'
  
26. Daarop liet Jozua de koningen doodslaan en aan vijf palen ophangen. Daar bleven ze hangen tot de avond.
  
27. Tegen zonsondergang nam men hen op bevel van Jozua van de palen af, wierp hen in de grot waar ze zich verborgen hadden en stapelde grote stenen voor de opening van de grot. Die liggen er tot op de dag van vandaag.
  
28. Ook Makkeda heeft Jozua op die dag ingenomen. Hij joeg stad en koning over de kling, wijdde hen en alle levende wezens in de stad aan de vernietiging en liet niemand ontkomen. De koning van Makkeda behandelde hij op dezelfde wijze als de koning van Jericho.
  
29. Vanuit Makkeda trok Jozua met heel Israël naar Libna en viel de stad aan.
  
30. En de HEER leverde ook haar met haar koning aan Israël uit. Jozua joeg de stad met al haar levende wezens over de kling en liet niemand ontkomen. Haar koning behandelde hij op dezelfde wijze als de koning van Jericho.
  
31. Vanuit Libna trok Jozua met heel Israël naar Lakis; hij belegerde en bestormde de stad.
  
32. En de HEER leverde Lakis uit aan Israël. Jozua nam de stad op de tweede dag in en doodde iedereen die in de stad leefde met het zwaard, zoals hij met Libna gedaan had.
  
33. Horam, de koning van Gezer, was uitgerukt om Lakis te bevrijden, maar Jozua versloeg ook hem en zijn leger; niemand ontkwam.
  
34. Vanuit Lakis trok Jozua met heel Israël naar Eglon; zij belegerden en bestormden de stad,
  
35. namen haar nog dezelfde dag in en vernietigden haar door het zwaard. Jozua wijdde op diezelfde dag iedereen die in de stad leefde aan de vernietiging, zoals hij het ook bij Lakis gedaan had.
  
36. Vanuit Eglon trok Jozua met heel Israël naar Hebron. Zij bestormden de stad,
  
37. namen haar in en vernietigden haar door het zwaard; haar koning, haar onderhorige steden en iedereen die in de stad leefde. Jozua liet niemand ontkomen, net als bij Eglon; hij wijdde de stad en iedereen die in de stad leefde aan de vernietiging.
  
38. Toen keerde Jozua zich met heel Israël tegen Debir. Hij bestormde de stad
  
39. en veroverde haar, evenals de onderhorige steden, en nam de koning gevangen. Zij vernietigden hen door het zwaard en wijdden iedereen die in de stad leefde aan de vernietiging. Niemand ontkwam. Zoals hij Hebron en Libna en hun koningen behandeld had, zo behandelde Jozua ook Debir en zijn koning.
  
40. Zo veroverde Jozua het hele land: het bergland, de Negeb, het laagland en de duinstreek, en hij doodde alle koningen. Hij liet niemand ontkomen en alles wat leefde wijdde hij aan de vernietiging, zoals de HEER, de God van Israël, had bevolen.
  
41. Jozua versloeg hen van Kades-Barnea tot Gaza, heel Gosen, tot Gibeon toe.
  
42. Van al die koningen en hun gebieden heeft Jozua zich met één slag meester gemaakt, want de HEER, de God van Israël, vocht voor Israël.
  
43. Ten slotte keerde Jozua met heel Israël naar het kamp bij Gilgal terug.


Search in:
Terms:

Vote and Comment on Facebook:Recommend This Page:
Post on Facebook Add to your del.icio.us Digg this story StumbleUpon Twitter Google Plus Post on Tumblr Add to Reddit Pin this story Linkedin Google Bookmark Blogger
Insert Your Personal Insight:

Please do not make mean comments and follow the biblical and spiritual character of this forum. If, however unpleasant situations arise, we request to flag it to us in order to evaluate the situation.

Text source: Willibrordvertaling 1995 Dutch version, public domain.

This project is based on delivering free-of-charge the Word of the Lord in all the world by using electronic means. If you want to contact us, you can do this by writing to the following e-mail: bible-study.xyz@hotmail.com


SELECT VERSION

COMPARE WITH OTHER BIBLES